Wat is de betekenis van bruikbaar?

2019
2021-09-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bruikbaar

bruikbaar - Bijvoeglijk naamwoord 1. nuttig, eenvoudig in het gebruik Er is ook een European Accessibility Act in de maak die pc’s en telefoons beter bruikbaar moeten maken voor de 80 miljoen Europeanen met beperkt zicht. „In de VS zijn ze verder, in Europa staat accessibility nog niet erg op het net...

Lees verder
2018
2021-09-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bruikbaar

bruikbaar - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: bruik-baar 1. geschikt voor de gelegenheid ♢ die haarborstel is niet bruikbaar 2. waarmee te werken is ♢ dit schema is zo ingewikkeld dat het niet br...

Lees verder
1973
2021-09-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bruikbaar

bn. (-der, -st), geschikt tot gebruik, voor een bepaald doel of een functie: een instrument; (tig.) een mens, geschikt, met wie heel goed om te gaan is.

1952
2021-09-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bruikbaar

adj., brûkber, brûksum, hânsum, gaedlik; voor alles —, yn alle silen mak; -der worden, bihelterje, bitommelje; door gebruik -der worden, bibiizgje, bibizigje, bibrûke.

1950
2021-09-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bruikbaar

bn. (-der, -st), geschikt tot gebruik, voor een bepaald doel of een functie: een bruikbaar onderwijzer; — (fig.) een bruikbaar mens, geschikt, met wie heel goed om te gaan is.

1898
2021-09-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Bruikbaar

BRUIKBAAR, bn. (-der, -st), geschikt tot gebruik; voldoende bekwaam: een bruikbaar onderwijzer; — (fig.) een bruikbaar mensch, iem. die geschikt is, met wien heel goed om te gaan is. BRUIKBAARHEID, v.

Lees verder