2019-12-09

bruikbaar

bruikbaar - Bijvoeglijk naamwoord 1. nuttig, eenvoudig in het gebruik Er is ook een European Accessibility Act in de maak die pc’s en telefoons beter bruikbaar moeten maken voor de 80 miljoen Europeanen met beperkt zicht. „In de VS zijn ze verder, in Europa staat accessibility nog niet erg op het netvlies”, zegt de vriend van de Oogvereniging, met een knipoog. Woordherkomst Naamwoord van handeling van bruiken met het ach...

2019-12-09

bruikbaar

bruikbaar - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: bruik-baar 1. geschikt voor de gelegenheid ♢ die haarborstel is niet bruikbaar 2. waarmee te werken is ♢ dit schema is zo ingewikkeld dat het niet bruikbaar is Bijvoeglijk naamwoord: bruik-baar ... is bruikbaarder dan ...

  • 2019-12-09

    Bruikbaar

    BRUIKBAAR, bn. (-der, -st), geschikt tot gebruik; voldoende bekwaam: een bruikbaar onderwijzer; — (fig.) een bruikbaar mensch, iem. die geschikt is, met wien heel goed om te gaan is. BRUIKBAARHEID, v.

    2019-12-09

    bruikbaar

    bruikbaar - bn. (-der, -st), geschikt tot gebruik, voor een bepaald doel of een functie: een instrument; (tig.) een mens, geschikt, met wie heel goed om te gaan is.