Boven
I. voorz., 1. zich hoger dan iets anders bevindend : de zon is boven de horizon; de hemel boven onze hoofden ; de naam staat boven de deur; de hand boven de ogen houden; — (fig.) iemand de hand boven ’t hoofd houden, hem beschermen ; — (fig.) hij is boven de wolken, buitengewoon blij ; — ...