Wat is de betekenis van Agglomeratie?

2026-07-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Agglomeratie

(<Fr.), v. (-s), uitwendige aanzetting, samenklontering, opeenhoping zonder innerlijke samenhang (abstr. en concr.); in ’t bijz.: complex van steden en voorsteden: de agglomeratie van Brussel.