Wat is de betekenis van AGGLOMERAAT?

1994
2021-06-23
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Agglomeraat

[Fr. agglomérat] eig.: het resultaat van samenklonteren; 1 (alg.) opeenhoping waarin innerlijke samenhang ontbreekt; samenvoegsel van soortverschillende delen die van buiten af bij elkaar zijn gebracht; 2 (geol.) chaotisch samensmeltsel van vulkanische steenbrokken. (Vgl. conglomeraat).

Lees verder
1993
2021-06-23
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Agglomeraat

samengesteld gesteente; opeenhoping zonder innerlijke samenhang

1981
2021-06-23
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Agglomeraat

een sediment dat uit losse of samengekitte grove en puntige, door verwering gevormde gesteenteresten bestaat.

1955
2021-06-23
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Agglomeraat

o., het opeengehoopte.

1954
2021-06-23
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Agglomeraat

is een chaotische verzameling van grove, ronde of hoekige gesteenten, waarbij de tussenliggende materie uit tuf bestaat. De stenen zijn tijdens een vulkanische uitbarsting uitgeworpen en komen hoofdzakelijk in of nabij de kraterpijp voor.

1954
2021-06-23
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Agglomeraat

aaneenklontering, conglomeraat.

1950
2021-06-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Agglomeraat

(<Fr.), v. (...aten), opeenhoping zonder innerlijke samenhang : een corps, een lichaam zijn die Hagenaars nooit geweest; het is een agglomeraat van mensen uit allerlei oorden.

1949
2021-06-23
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Agglomeraat

opeenhoping.

1948
2021-06-23
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

agglomeraat

o. agglomera tie, v. uitwendige aanzetting (als tot een hal of kluwen); samenhoping; dicht bevolkte plaats.

1939
2021-06-23
Koenen

Woordenboek Koenen

Agglomeraat

v., ook o. agglomeraten (Fr. [v. Lat. agglomerare = opeenhopen]: opeenhoping zonder samenhang): agglomeraat v. delfstoffen.

1933
2021-06-23
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Agglomeraat

gesteente, dat uit los samenhangend steengruis bestaat.

1925
2021-06-23
Wijsgeerige kunsttermen

Dr. C.J. Wijnaendts Francken

agglomeraat

(Lat. van ad en glomerare = tot een kluwen opeenhoopen of samenpakken). Ordelooze, niet organisch samenhangende bijeenvoeging van deelen, als inzonderheid voorkomend bij gesteenten, maar naar analogie daarvan ook gebezigd op ander gebied.

1923
2021-06-23
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Agglomeraat

(agglomero, tot een kluwen, gIomus, maken), opeenhoping.

1916
2021-06-23
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Agglomeraat

Agglomeraat - samenpaksel zonder innerlijken samenhang. In de geologie elk gesteente, dat bestaat uit een losse of hoogstens zwak verbonden opeenhooping van niet al te fijne scherpkantige, althans niet door rolling, afgeronde deeltjes. Er bestaan vulkanische aggl. (tuffen) en sedimentaire a. (nog niet verkitte breccies).

1898
2021-06-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AGGLOMERAAT

Agglomeraat v. (...aten), eene opeenhooping zonder samenhang ; een corps, een lichaam zijn die Hagenaars nooit geweest; het is een agglomeraat van menschen uit allerlei oorden.