Wat is de betekenis van abondance?

2026-06-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Abondance

(Fr.), v., (Zuidn.) overvloed; — (bij het whistspel) abondance gaan, spelen, alléén negen slagen spelen: — abondance op tafel, met open kaart te spelen, niet te verliezen.