zeiker, zeikerd betekenis & definitie

iemand die voortdurend zanikt; zeur. In Vlaanderen wordt het meer gebruikt in de zin van ‘kleinmoedige vent; lafaard’. In Gent heeft het woord de betekenis van ‘haarklover, vitter’.

Maar die seikert was bang voor z’n nette pak en liep gebogen. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)

Amerikanen zijn zeikers, nooit heb ik van die supersonische klootzakken meegemaakt. (Paul A. Wilking, De roerige wereld van Pistolen Paul, 1968)

‘Ach zeikerd,’ zei Drumbo geërgerd. (Peter Andriesse, Desperado’s, 1981)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017