haarklover betekenis & definitie

bemoeizuchtig, pedant persoon; iemand die voortdurend opmerkingen maakt over beuzelarijen; vitter; muggenzifter-, azijnzijker. Eigenlijk: iemand die (in figuurlijke zin) een haar splijt. Het werkwoord hairklooven vinden we o.a. terug bij Justus van Effen (De Hollandsche Spectator, 1732). Vgl. Duits: Haarklauber; Silbensticfier, Frans: coupeur de cheveux en quatre; fricasseur de mille-pattes. Engelsen gebruiken o.a. de term nitpicker of hairsplitter. Hendrik Haarklover was de titel van een strip die van 10 oktober 1953 tot 23 januari 1954 wekelijks in Het Parool verscheen.

Hij is het in den aanvang gewoonlijk eens met den tegenstander van Sokrates, en vindt dezen allicht een onpraktischen haarklover, waar zijn tegenpartij het recht en het gezond verstand op zijn zijde heeft. (Ch.M. van Deventer, Platonische Studiën. De Protagoras door Ch.M. van Deventer, in: De Nieuwe Gids, 1893)