fikfakker betekenis & definitie

(in Vlaanderen) talmer; beuzelaar; prutser. Van het werkwoord fikfakken (dat we nog terugvinden in het werk van Claes en Timmermans), volgens Van Dale sedert ca. 1636-1638: ‘verliefd fluisteren’ en afgeleid van het Hoogduits fickfacken (Belgisch Nederlands, spreektaal).