centenbijter, centendief, centenneuker, centenpik betekenis & definitie

gierigaard; materialist. Een synoniem is duitendief.

‘Ik moet zoo veel niet babbelen!’ mompelde hij. ‘We mogen er het spel niet voortzetten: de onderpastoor, de kromme centendief, mocht lont gerieken en mij de deur uitschuppen.’ (Reimond Stijns en Isidoor Teirlinck, Arm Vlaanderen, 1884)

Zo’n armzalig minimumtrekkertje van die halvecenteneuker van een Drees. (Jan Wolkers, Brandende liefde, 1981)

Is er vergeving voor de Nederlandse media die u hebben gebrandmerkt als een centenpik? (Elsevier, 09/04/1994)