chaggerijn, chagrijn, stuk chagrijn betekenis & definitie

ontevreden, zuur en zwijgzaam iemand. Ook wel saggerijn gespeld. In de jeugdtaal van eind twintigste eeuw noemde men zo iemand ook een chaggo of sjacho.

Zoo venijnig als jij bent! Ik begin nu pas te begrijpen, waarom jouw hospita me in een vergeten oogenblik bekend heeft, dat ze jou een stuk chagrijn vond. (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)

Ach meneer Sonneberg, de humor is weg in Amsterdam. Chaggerijnen zijn ’t allemaal. (Wim Sonneveld, De gulle lach, 1971)