Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 13-12-2021

liefde

betekenis & definitie

v. (-s, -n),

1. warme genegenheid, gehechtheid aan iemand of iets : de tot zijn ouders, tot zijn land; kinderlijke liefde;
2. genegenheid van twee mensen tot elkaar: oprechte, zuivere -; een liedje van en dood; de liefde kan komen met trouwen; (zegsw.) van liefde rookt de schoorsteen niet; iemand zijn liefde verklaren; een huwelijk uit liefde , in tegenst. tot een huwelijk dat uit verstandelijke overwegingen wordt gesloten; van branden, panden van de liefde, kinderen; een kind van de liefde, een buitenechtelijk kind; platonische liefde, zuiver geestelijke liefde, zonder een zweem van zinnelijkheid; vrije liefde, het (ongehuwd) samenleven van man en vrouw; (spr.) de liefde is blind, ziet geen gebreken of wil die niet zien; (ook) redeneert, overlegt niet; (spr.) oude liefde roest niet, de liefde die men iemand eens heeft toegedragen, gaat nooit geheel verloren; hij/zij is een middel (remedie) tegen de liefde, hij/zij is zo lelijk als de nacht;
3. gevoel van welgezindheid in verband met de (christelijke) godsdienst: de liefde tot God; doe het om de liefde Gods!, doe het toch, in ‘s hemelsnaam!; de welgezindheid van de mens tegenover zijn naaste (caritas): de christelijke liefde; (zegsw.) iets met de mantel van de liefde bedekken, toegevend zijn voor de gebreken en tekortkomingen van anderen;
4. sterke, diepgaande neiging tot, belangstelling in een zaak: liefde voor de kunst;
5. belangstellende toewijding: hij vervult zijn taak met liefde; neiging: zijn liefde voor oprechtheid;
6. voorwerp van liefde: zij is zijn eerste liefde.

Liefde is een van de grote idealen van de filosofen van alle tijden en vormt zowel in de cultuur als in het persoonlijk leven van de individuen een van de centrale inspirerende thema’s. Het begrip liefde is mede door zijn algemeenheid niet duidelijk en kent cultuur- en tijdgebonden interpretaties. In het algemeen wil men met deze term het scheppen en onderhouden van een gemeenschappelijkheid, een op elkaar afgestemd zijn aangeven, zij het met wisselend accent in het emotionele en/of wereldbeschouwelijke vlak.

Volgens het antieke denken was liefde (eros) alle streven tot bezitneming, verlangen, hunkering en opwaarts worstelen naar het ideaal. Tegen de achtergrond van het dualistische denken (tegenstelling stof-geest) stelde men dat de mens vanuit de lagere, zinnelijke wereld streeft naar de volmaakte harmonie (kosmos) hetzij in de vereniging van schone lichamen, hetzij in de geestelijke eenwording met het Al der dingen. Het christendom, deels gevoed door de antieke opvatting, spitste dit dualisme toe door zijn onderscheid tussen eros, de bevrediging, en agape, de gerichte goddelijke liefde, in hoogste instantie God zelf.

In de tijd van de hoofse liefde (hoofsheid) werd een nieuw accent gelegd: naast de verheerlijking van het liefdesobject zag men de hoogste vervulling van de liefde in het lijden door een onbevredigd verlangen (het ideaal wordt onbereikbaar). De veel latere romantiek maakte de liefde tot de uiterste individuele belevenis tussen twee mensen, los van iedere binding aan tijd of gemeenschap. Zij verhief het sublieme en supreme moment tot ideaalsituatie, uiteraard een bron van vele, vaak niet te

verwerken frustraties (zelfmoordhausse als gevolg van liefdesteleurstellingen) . Het eind van de 19e eeuw bracht een breuk in de eeuwenlange traditie van dualistisch denken: lichaam en ziel werden voortaan als een onlosmakelijk geheel beschouwd. Sigmund Freud ging nog een stap verder en herleidde liefde tot een van de gesublimeerde vormen van de menselijke seksualiteit. Pas na de jaren vijftig van de 20e eeuw ziet men een psychosociologische, kritische benadering van de liefde. Deze wijt de 20e-eeuwse crisis in de liefdesbeweging aan de omstandigheid dat liefde in het huidige maatschappelijke patroon vooral te maken heeft met behoeftebevrediging (opvijzelen van het zelfrespect, koestering van het ego, seksuele ontspanning) , samenhangend met de op de spits gedreven intermenselijke concurrentiestrijd en prestatiedrang. interactietherapie. LITT.

S.Freud, Jenseits des Lustprinzips (1920); J. Ortega y Gasset, Bespieg. over leven en liefde (1950) ; C.Massabki, Le Christ, rencontre de deux amours (1958); E.Fromm, The art of loving (1958); I.Lepp, Psychoanalyse der Liebe (1960); L.van der Kerken, Menselijke liefde en vriendschap (1962); A.Fromme, Over de liefde (1967); F.Allan, Liefde in onze tijd (1969); P.Burney, Lamour (1973); T. Lemaire. De tederheid. Gedachten over de liefde (5e dr. 1973); E.Sullerot, Histoire et mythologie de l’amour (1974).