bouw betekenis & definitie

bouw - m. (g. mv.),

1. het bebouwen, bewerken, m.n. beploegen van het land: de — is afgelopen;

2. het verbouwen van enig gewas: de — van beetwortelen is voordelig; de — van maïs invoeren; aardappelen en groenten van eigen —, van eigen teelt, zelf verbouwd;

3. het maaien, binnenhalen van de veldvruchten, de oogst: in de — zijn; in de volle —, midden in de oogst; de droge zomer was nadelig voor de — van het hooi, de opbrengst, het beschot;

4. de veldvruchten: de — staat er goed bij; de — staat te velde;

5. bouwakker, bouwland;

6. het bouwen, oprichten van huizen, bruggen enz.: die firma is met de — van de centrale belast; de — van herenhuizen.

van schepen; 7. wijze van bouwen, bouwtrant, maaksel: dat huis heeft een vreemde —; een toren, zwaar en stevig van —; (oneig. van levende wezens) gestalte, vorm: die dieren zijn breed en krachtig van —; wijze van groeien van organen: de inwendige — van de zenuwen; (fig.): de — van een roman, een treurspel; verzen kloek van de — van een volzin;
8. nest, hol: de — van een das.