Veertien Noodhelpers betekenis & definitie

Lat.: Quatuordecim Auxiliatores, veertien heiligen, afzonderlijk vereerd als patroon tegen bijzondere kwalen, vereenigd aangeroepen in algemeenen nood. Hun vereering, reeds in een aflaatbrief van 1284 voor de kerk van Krems in Neder-Oostenrijk vermeld, is sterk verbreid ten tijde van de pest-epidemieën der 14e en 15e eeuw.

Het beroemdste heiligdom hunner vereering is het naar hen genoemde Vierzehnheiligen in Beiersch Franken, waar jaarlijks ca. 150 000 pelgrims samenkomen (zie afb. 3 op de pl. t/o kol. 544 in dl. IX).

Bij Jena ligt verder nog een dorpje van dien naam. Hun voorstelling in de kunst is zeer verspreid, vooral in Tirol, Zwitserland, Oostenrijk en Midden-Duitschland.

Dikwijls (zooals in Vierzehnheiligen) wordt de H. Maagd in hun midden geplaatst.

Het zijn de H.H. Acacius (Achatius), Aegidius, Barbara, Blasius, Catharina, Christoffel, Cyriacus, Dionysius, Erasmus, Eustachius, Georgius, Margaretha, Pantaleon en Vitus.

Paus Leo XIII heeft een eigen mis en getijden ter eere dezer 14 N. goedgekeurd voor enkele kerken op 4 April of den 4en Zondag na Paschen. Op oudere voorstellingen ziet men voor sommige heiligen anderen gesteld, vooral de H.H.

Rochus, de H.

Leonard, soms ook Nicolaas, Magnus.

Soms wordt hun getal uitgebreid of worden slechts enkelen genomen. Ook in Ned. bestaat in enkele kerken een broederschap ter eere der 14 Noodhelpers.Lit.: Weber, Die Verehrung d. hl. 14 Nothelfer, ihre Entstehung u. Verbreitung (1886j. Brandsma.

In de kunst vindt men de N. in groep, soms samen met Maria, voorgesteld: muurschildering te Regensburg (1331); bekend is een groep van Riemen schneider (Würzburg); verder van Burgkmair (Augsburg), Luc. Cranach (Torgau), H. Holbein (Freiburg), M. Grünewald (Lindenhardt). In de Nederlanden zijn de N. als groep bij de primitieven onbekend.

Lit.: Lex. f. Theol. u. Kirche (VII); K. Künstle, Ikonogr. der Heiligen (1926).

De N. zijn niet te verwarren, zooals wel gebeurt, met de te Oetting bij Ingolstadt (Beieren) vereerde zgn. „Elende Heiligen” (elend = uit het land, exsul, verbannen), de H.H. Archus, Herennius en Guardanus, die uit hun vaderland verdreven of gevlucht waren. Zij waren de patronen van pelgrims en reizenden.

Lit.: Wetzer und Welte’s Kirchenlexik. (2IV, i.v. Elend).