duitsch dichter, geb. in 1813 te Wesselburen in Ditmarschen, ontving een zeer gebrekkige opleiding, vond gegoede beschermers, studeerde te Heidelberg en Munchen in de wijsbegeerte, geschiedenis en letterkunde, en ging na in 1841 te Munchen gepromoveerd te zijn, naar Hamburg, waar hij zijn treurspel Judith (1841) in het licht gaf, dat het eerst de aandacht op hem vestigde. In 1842 begaf hij zich naar Kopenhagen, waar hij door de regeering in staat gesteld werd tot het doen eener groote reis.
Op de terugreis leerde hij in 1846 te Weenen de tooneelspeelster Christine Enghaus kennen, met wie hij in het huwelijk trad. Hij vestigde zich nu te Weenen, waar hij in 1863 overleed. Onder zijn dichterlijke voortbrengselen nemen zijn drama's den eersten rang in. Van deze worden als de meest voortreffelijke geroemd de treurspelen Maria Magdalena (1844) en zijn laatste stuk Die Nïbelungen (1862). Zijn onvoltooide Demetrius verscheen na zijn dood (1864). Hij schreef ook enkele blijspelen, een klein heldendicht Mutter und Kind (1859) en meerdere kleine gedichten.