Kunstgeschiedenis

Amsterdam Boek (1959)

Gepubliceerd op 27-01-2022

Griekenland – inleiding

betekenis & definitie

GRIEKENLAND: OMTREKKEN (elfde tot eerste eeuw v. Chr.)

De kunst van de Grieken is als geen andere voorbeeld en patroon, maatstaf en norm geworden, sinds zij tot aanzijn kwam. De Grieken zelf is het in de vroege en klassieke eeuwen van hun geschiedenis nooit ingevallen hun kunst te propageren of met hun goden missie te bedrijven. Pas sinds Alexander de Grote, dus aan het begin van dat laatste tijdperk in de Griekse geschiedenis, dat wij het Hellenisme noemen, kwam er in die houding verandering. Van die tijd af gaan de Griekse vormen van beelden en denken, de Griekse opvattingen over goden en mensen, buiten het Griekse land doordringen in de wereld van de Middellandse Zee en van het Oosten.

Wat de tijd aangaat voltrekt zich deze uitbreiding in de laatste drie eeuwen vóór Christus’ geboorte. Ze begint met de figuur en het werk van Alexander de Grote en eindigt met de slag bij Actium (30 v. Chr.), waarmee de alleenheerschappij van Rome werd bezegeld. Maar ver over dit historische fixatiepunt heen heeft de Griekse cultuur in de tijd van de Romeinse keizers tot aan het einde van de Oudheid in telkens nieuwe wedergeboorten van de geest en telkens hernieuwde klassicismen van de kunst een onuitputtelijke invloed uitgeoefend. Wat de plaats betreft ging deze invloed de grenzen van het Romeinse imperium verre te buiten. Naar het oosten zijn de uitstralingen van de Griekse kunst als gevolg van Alexanders fantastische Indische veldtocht tot in India na te gaan. Maar ook de kusten van de Zwarte Zee, de Krim en zuid-Rusland worden provincies van de Griekse kunst.

In haar vroege periode had de Griekse samenleving zich beperkt tot de wereld van de Egeïsche Zee, het Griekse vasteland, de eilanden en de Klein-Aziatische kust. Een verovering van vreemde landen en volkeren werd door haar nooit nagestreefd, althans niet op systematische wijze. De talrijke koloniale Griekse nederzettingen lagen ver verstrooid en geïsoleerd, zonder vaste binding aan het moederland. De Grieken zelf waren vaak genoeg in oorlog met de naburige barbaren of de machten uit het Oosten.

Maar nu, sinds de tijd van Alexander en zijn opvolgers, de Diadochen, ontsluit zich een nieuwe wijde wereld. Ze is bereid de Griekse cultuur aan te nemen, zich Grieks te voelen en Grieks te doen. Want ’Hellenisme’ betekent, dat een wereld zich tot de Griekse levensopvattingen bekeert en die belijdt. Zoals later de beschaafde Romeinen met het woord ’Graecia capta cepit victorem’ (het veroverde Griekenland veroverde de overwinnaar) de suprematie van de Griekse geest in kunst en wetenschap, rethoriek en filosofie onvoorwaardelijk erkenden, zo lagen sinds de tochten van Alexander de Grote de volkeren van Klein-Azië en het Nabije Oosten open voor de scheppingen van Griekse kunstenaars, voor de Griekse goden, voor de blijmoedigheid of sombere bekoring van de Griekse mythen in sage en poëzie.

Naast die betovering door de kunst werkte als beslissende factor het nieuwe begrip van ’de vrijheid van de Griekse mens’ omdat zich daarin een algemeen-menselijke behoefte verhulde. In taaie strijd met archaïsche tradities, religieuze bindingen, staatkundige beperkingen had de Griekse mens die nieuwe vormen van individuele vrijheid veroverd. Van Sokrates en Plato, Sofokles en Euripides, Praxiteles en Lysippus hadden ze hun gedaante en stempel gekregen. Door deze grote predikers van de Griekse geest was het individu in een soevereine positie getekend, in zijn macht en heerlijkheid, maar ze hadden ook laten zien hoe bedreigd en geïsoleerd die positie was. Van de culturen, religies en staatkundige structuren kon geen enkele zich onttrekken aan deze nieuwe opvatting van de mens, waar ze ook met haar in aanraking kwamen. Hier ligt de geheime missie van de Griekse mens, de eigenlijke sleutel voor de toverwerking van alle voortbrengselen van zijn beeldende hand, zijn denkende geest en zijn dichtend hart. De vrijheid van de mens en de wet van zijn normativiteit (of het geloof aan zulk een wet) stellen de mens in het middelpunt van de wereld, en van die wereld zijn de hemel en zijn goden een afspiegeling.

Vele richtingen en takken heeft de boom van de Griekse cultuur voortgebracht. Zij alle hebben ingewerkt op het Hellenistische tijdperk, het Romeinse wereldrijk, de cultuur van het avondland: de beeldende kunsten en de grote literatuur, de geschiedschrijving en de filosofie, het politieke denken en het wetenschappelijk onderzoek. Al deze richtingen van de Griekse geest hebben een eigen, hun toegemeten ontwikkelingsbaan. Zij komen op uit de voorhistorische oerbodem en het mythische bestaan en ze maken zich los van de oosterse vormen, waardoor ze waren bevrucht en bedreigd en tot positiekeuze gedwongen; zij alle nemen in de loop van de klassieke eeuwen hun zuivere gangbare gestalte aan. Hun stemmen komen daarbij afwisselend aan het woord, verbinden zich met elkaar of maken zich van elkander los, helpen en hinderen elkaar. Juist dat maakt de geschiedenis van de Griekse cultuur zo rijk, zo fascinerend en zo dramatisch. Binnen het brede raam van de Griekse cultuur komt aan de beeldende kunsten een bijzondere betekenis toe. Alleen zij kunnen over een tijdsverloop van meer dan duizend jaren door ons worden gevolgd. Deze boog omspant de eerste werken van de Griekse pottenbakkers in de twaalfde eeuw v. Chr. tot de laatste scheppingen van Hellenistische beeldhouwers en handwerkers in de eerste eeuw. In dit tijdsverloop kan het aandeel wisselend zijn van de afzonderlijke kunsten, van de keramiek en van de plastiek, van de architectuur en van de schilderkunst. Aan de Griekse plastiek en sculptuur komt de eerste plaats toe in het kader van de beeldende kunsten. Het innigste verlangen van de Griekse cultuur, de mens te vatten in zijn vrijheid en zijn normativiteit, heeft zij het zuiverste belichaamd.

Wij weten, dat omstreeks het begin van het tweede millennium v. Chr. indogermaanse stammen van het noorden, van de Balkan, naar Macedonië en Thessalië opdrongen, weldra ook middenGriekenland veroverden en naar de Peloponnesus overstaken. Tegenwoordig kunnen wij met stelligheid zeggen, dat het Gr iek e n waren; hun inbezitname van het land voerde tot de stichting van versterkte burchten en heersersresidenties met kleine nederzettingen, en tot de grondvesting van een vastelandscultuur, die wij de Myceense noemen. Zij ontvouwt zich in nauw contact met de hoge kunst en cultuur van het Minoïsche Kreta. Spoedig na het midden van het tweede millennium schijnen dan de Myceense heersers, de ’Achaïsche vorsten van Homerus’, het grote eiland en zijn residentie Knossos te hebben overmeesterd. Griekse taal in haar vroegste vormen is in Minoïsche schrifttekens te vinden op de kleitafeltjes van de laatste helft van het tweede millennium, zowel in Knossos als in de paleizen op het vasteland.

Niettemin onderscheidt deze Myceense cultuur zich duidelijk van het begin van de eigenlijke Griekse. In de loop van de twaalfde eeuw beginnen nieuwe volksverhuizingen van het noorden uit, die wij samenvatten onder de naam van ’Dorische volksverhuizing’. Noordwestgriekse stammen dringen van Epirus en Macedonië op. Zij drijven de Achajers van de Peloponnesus naar het oosten: de eilanden van Klein-Azië. De wereld van de Kretenzisch-Myceense cultuur stort ineen, nadat zich reeds eerder blijken hadden voorgedaan van desintegratie en uitputting. De herinnering aan deze grote tijd van vroege ridders en helden, aan zijn daden en avonturen, zijn mythen en liederen, aan de pracht zijner paleizen en de glans zijner wapenen is in de Griekse sagen vastgelegd en in de epen van Homerus verheven tot de hoogste poëzie.

door Prof. Dr. W. H. Schuchhardt.

< >