heupdysplasie, aangeboren betekenis & definitie

Probleem met het heupgewricht waarbij de kop van het dijbeen niet goed in de kom van het heupbeen zit (uitspraak: dis-pla-ZIE).

‘Dysplasie’ betekent ‘niet goed gevormd’. De dokter ontdekt deze aandoening bij een baby vlak na de geboorte. Het been zit dan niet vast aan de heup. Hoe komt dat? Bij ‘heup’ lees je precies hoe je been aan je romp vastzit. In het bot van je heup zit een ‘kom’. Daarin past dus het uiteinde van je dijbeen. Bij een baby met heupdysplasie is de heupkom niet zo diep gevormd. Als dan het weefsel tussen been en heup dat het bot in je heup vasthoudt slap is, floept het dijbeen gemakkelijk uit de kom (‘ontwrichting van het heupgewricht’, ‘heupluxatie’).

Bij een baby met een aangeboren heupdysplasie gebeurt dit te gemakkelijk. Of het bot schiet een stukje uit de kom (‘subluxatie’). Hierdoor komt er verkeerde druk op het kraakbeen in het gewricht. Dat gaat daardoor slijten.

Heupdysplasie komt vrij vaak voor: bij 1 op de 250 baby’s, zes keer zo vaak bij meisjes als bij jongens. De dokter behandelt de aandoening bij baby’s tot zes maanden door hun beentjes met hulpmiddelen een tijdlang ver uit elkaar te duwen. Zo wordt van elk been het dijbeen stevig in de heupkom vastgedrukt. Heel af en toe is daarbij gipsverband of een operatie nodig. Als de dokter een baby met deze aandoening niet zou behandelen, zou het kind op jonge leeftijd al de heupklachten krijgen die normaal pas bij een hoge leeftijd horen.