lepel betekenis & definitie

lepel - Zelfstandignaamwoord
1. (huishouden) (eetgerei) een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
2. een hoeveelheid die overeenkomt met de inhoud van een thee-, dessert- of eetlepel (resp. 5, 10 en 15 ml)
3. een oor van een konijn of van een haas
4. (paardensport) onderdeel van een hoofdstel bij tuigpaarden

lepel - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
♢ Ik lepel
2. gebiedende wijs van lepelen
lepel!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
lepel je?

Verwante begrippen
bestek, couvert, mes, vork