Maffer betekenis & definitie

historische term voor een werkwillige tijdens een staking; een onderkruiper. Vermeld door Berns & van den Braak. Maffen is een Bargoens woord voor slapen.

In tegenstelling met de ultra revolutionairen weten wij ‘sociaal patriotten’, ‘opportunisten’ en ‘maffers’, dat mèt het mooie woord, niet het mooie gebaar maar alleen de reële macht beslist. (Het Volk, 24/09/1917)

Geen gelegenheid moet men laten voorbijgaan, om de moderne organisatie van spoorwegpersoneel, volgens spreker een organisatie van maffers, tegen te werken, om haar verlammenden invloed op het spoorwegpersoneel op te heffen. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 14/06/1920)

‘Stekkere, maffer!’ stoorden de opdringende maats in de smalle steeg. (Willem van Lependaal, Adam in ongenade, 1938)

huurder die niet meedoet aan een huurstaking. Deze nieuwe betekenis van maffer s ontstaan eindjaren tachtig.

‘Maffers’ is een term waarmee in de jaren twintig huurders werden aangeduid die niet aan een huurstaking wilden meedoen. (NRC Handelsblad, 28/08/1987)

Een groep keiharde militanten ging zich de ‘politieke vleugel van de kraakbeweging’ noemen. De mensen die tegenover de politie verklaringen hadden afgelegd waren ‘Maffers’ en werden om die reden zelfs fysiek bedreigd door deze ‘heffo’s’. (Heffo is afgeleid van ‘heavy’, bedoeld wordt zware jongens). (Het Parool, 28/07/1990)

mallerd; flauwerd; iemand die niet flink is; slaapkop, sufferd.

Hy is echter geen kwaad man; maar een regte Maffert Luim, die geen zier waereld heeft. (Betje Wolff, Historie van den Heer Willem Leevend, 1784-1785)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017