Lampenpit betekenis & definitie

halfzacht iemand; sullige man; goedzak. Verkorting van lulletje lampenpit. Eigenlijk: de pit van een olielamp.

De bewoners van het Heidehuis mochten hem niet. Er werd daar zelden over hem gesproken en als er over hem gepraat werd, kwam er meestal een onwelvoegelijk woord aan te pas. Misselijke vent, oude kerel en lampepit, waren daarvan nog de meest behoorlijke. (Diet Kramer, Roeland Westwout. Roman over jonge menschen, 1940)

Die geniepige lampepit! Die smerige sar! (Piet Bakker, Ciske groeit op, 1943)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017