kakadoris, kakkedoris betekenis & definitie

oorspronkelijk benaming voor een kwakzalver; iemand die op markten optrad en reputatie verwierf door zijn radde tong en zijn handigheid. Met mooie praatjes verkocht hij waardeloze lepels voor echte zilveren, die ‘smolten’ zodra je ze in de hand nam. Uit de zestiende eeuw kennen we: ‘Een Tafelspel van Meester Kackadoris, ende een Doof-wijf met Ayeren.’ Later werd kakkedoris of kakadoris ook gebruikt voor een stuntelig of raar persoon of voor iemand die diarree heeft. De etymologie is onzeker maar wellicht moet er een verband worden gezocht met ‘kak’. Een vergelijking met piskijker is gauw gemaakt. Wellicht werd zo’n kakadoris beschouwd als een ‘publiek geneesheer’.

Maakt hij reclame, zo zeg je bij je zelf, dan zal ik hem toonen, dat ik op het Amstelveld ook niet heelemaal een vreemdeling ben en Kakadoris mij somtijds niet tevergeefs onder zijn gehoor heeft geteld. (De Groene Amsterdammer, 01/04/1900)

Van half drie tot vijven moeten wij luisteren naar het staatkundig getheoretiseer van een keukenmeid, die wel eens een blaadje gelezen heeft, uitgesproken met de flux de paroles van een Kokadorus (sic). (Adriaan Venema, Jongensdroom, 1978)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017