noodzaken - regelmatig werkwoord
uitspraak: nood-za-ken
1. hem iets opleggen
♢ hij was genoodzaakt te sluiten
Regelmatig werkwoord: nood-za-ken
ik noodzaak
jij/u noodzaakt
hij/zij noodzaakt
wij/zij/jullie noodzaken
ik/jij/u/hij/zij noodzaakte
wij/zij/jullie noodzaakten
hij heeft genoodzaakt
de/het/een genoodzaakte ....
Synoniemen
verplichten
Gepubliceerd op 14-11-2017
noodzaken
betekenis & definitie