Tegemoet
bw., gebezigd in verb. met werkw. van beweging en richting, t.w. in die richting dat men iem. of iets ontmoet: iemand tegemoet gaan, komen, lopen enz.; — (fig.) ik was verlegen hoe ik hem mijn verzoek zou voordragen, maar hij kwam mij met de grootste bereidwilligheid tegemoet, maakte het mij gemakkelijk; iemands geheug...