Maagd betekenis & definitie

A) Heilige Maagd, naam van Maria, de moeder van Christus. Zij wordt aldus genoemd om haar ongerepte maagdelijkheid, waardoor zij het toonbeeld van maagdelijkheid is. → Maria.

Voor de Getijden der H. Maagd, zie → Votiefofficie.

Voor de Litanie der H. Maagd, zie → Litanie.

B) Godgewijde Maagden. Van het begin der Kerk af stond de → maagdelijkheid in hooge eere en werd, naar de leer van het Evangelie en van St. Paulus, boven den staat der gehuwden gesteld. Weldra vormden de m. een bijz. stand in de Kerk en sinds de 3e eeuw werden de meisjes door een specialen ritus in den stand der m. opgenomen (→ Maagdwijding). Aanvankelijk bleven de m. in de ouderlijke woning. Later vereenigden zij zich en het instituut der godgewijde m. ging over in de vrouwelijke kloosterorden. Bijz. bevorderaars van den maagdelijken staat in de eerste eeuwen waren: St. Methodius van Olympus, St. Cyprianus, St. Ambrosius van Milaan, St. Hieronymus en anderen. Franses.
C) Voor de Elf duizend Maagden der H. → Ursula, zie aldaar.
D) Wijze en dwaze maagden, parabel van de. Deze is opgeteekend bij Mt. 25. 1-13 ; wordt door Christus voorgehouden als aansporing om altijd op zijn komst bereid te zijn. Zie ook → Maechden.

In de iconographie van het Laatste Oordeel is de parabel der m. veelvuldig behandeld, vooral in de portalen der Fr. kathedralen, waarsch. onder invloed van het liturgisch tooneel (Limoges, 12e eeuw). Voorbeelden o.a. te Laon en Chartres (13e eeuw), Amiens en het Zuiderportaal der kathedraal van Straatsburg. Ook de Ned. primitieven, o.a. Breughel, behandelden deze parabel. p. Gerlachus.

Lit.: E. Mâle, L’art relig. en France; K. Smits, Iconogr. v. d. Ned. Primitieven.