fransch literatuurhistoricus, aesthetieus en geschiedschrijver, geb. 21 April 1828 te Vouziers (Ardennen), was op-verschillende plaatsen als leeraar werkzaam, doch geraakte om zijn vrijzinnige ideeën op godsdienstig gebied in conflict met zijn superieuren en begaf zich naar Parijs, waar hij in de natuurkundige wetenschappen en moderne talen studeerde, werd 1863 professor aan de Ecole des Beaux-arts, 1878 lid der Academie en overl. 5 Maart 1893. Van zijn werken noemen wij: Essais de critique et d'histoire (1858), Nouveaux essais (1865), Les philosophes français au XIXe siècle (1857), Histoire de la littérature anglaise (4 dln., 1864), Philosophie de Fart dans les Pays-Bas (1866), Philosophie de Fart en Grèce (1869), De F intelligence (2 dln., 1870); voorts Etudes over Carlyle en Stuart-Miil en zijn hoofdwerk Les origines de la France contemporaine (6 dln., 1875—94).
Hij dankt zijn grooten naam aan de toepassing der physiologie en mechanica op de geschiedschrijving.