een groot jager, aldus genoemd naar de koning van Babylonië en Assyrië, waarvan in Gen. 10:9 vermeld wordt dat hij een geweldig jager was „voor het aangezicht van Jahwe” (d.i. hij was zo buitengewoon dat Jahwe hem opmerkte). Vgl.
Fr. un Nemrod; Hd. ein Nimrod; Eng. a Nimrod.