Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 27-08-2021

Enquête

betekenis & definitie

[Fr.], v./m. (-s),

1. onderzoek, op last of door tussenkomst van een van de staatsmachten; onderzoek vanwege en tot verlichting van de volksvertegenwoordiging, betreffende onderwerpen die aan haar beslissing onderworpen zijn: parlementaire enquête;
2. (bij uitbr.) onderzoek door ondervraging van een groot aantal personen naar bestaande meningen, gewoonten enz.: een enquête naar de leesgewoonten in Nederland;
3. (recht) getuigenverhoor; enquête-valetudinaire, voorlopig getuigenverhoor, gehouden vóór een geding aanhangig is, of vóór dat in een aanhangig geding het getuigenverhoor kan plaatsvinden, in de gevallen dat gevaar bestaat (b.v. door ouderdom, ziekte, voorgenomen vertrek), dat een getuige niet gehoord kan worden.

SOCIALE WETENSCHAPPEN

Naar gelang het doel van de enquête onderscheidt men sociale, economische, bedrijfseconomische (marktanalyse), politieke (opinie-onderzoek) en culturele enquête. Bij de schriftelijke enquête worden de betrokken vragenlijsten toegezonden die ingevuld worden terugverwacht. Het is daarbij van belang dat de vragen duidelijk en ondubbelzinnig worden gesteld en dat de beantwoording er niet door wordt beïnvloed.

Bij een mondelinge enquête worden de nodige gegevens door enquêteurs aan de hand van met zorg opgestelde vragenlijsten ter plaatse verzameld. Deze methode wordt vooral toegepast bij markten opinie-onderzoeken. De schriftelijke enquête heeft het nadeel dat slechts een deel van de uitgezonden vragenlijsten wordt terugontvangen. Aangezien personen met goede ontwikkeling en belangstelling voor het onderzoek relatief meer antwoorden zullen terugzenden, dreigt bovendien het gevaar, dat de uitkomsten niet representatief zijn. De mondelinge enquête heeft dit bezwaar uiteraard niet, maar hier bestaat de mogelijkheid van beïnvloeding door de enquêteur.

Een methodisch bezwaar van vooral de schriftelijke enquête is, dat men alleen gegevens inzake ‘beweerd’ en opiniegedrag verkrijgt. De antwoorden op vragen naar het werkelijke gedrag worden vaak beïnvloed door de sociale wenselijkheid en onwenselijkheid (men antwoordt zoals men denkt dat het hoort). Een goede interviewtechniek kan bij de mondelinge enquête dit bezwaar deels ondervangen.

Medewerking aan een enquête wordt steeds vaker geweigerd: men ervaart het als lastig, tijdrovend, indringend. Om te voorkomen dat door een te lage respons de resultaten van een enquête niet meer representatief zijn voor de onderzochte groep, zoekt men een vaste steekproef bij elkaar, een zgn. panel, dat steeds beschikbaar is om geënquêteerd te worden (b.v. een panel van huisvrouwen voor de waardering van huishoudelijke produkten). Een dergelijk panel kan, door het met tussenpozen over hetzelfde onderwerp te enquêteren, tevens dienen om veranderingen in o.a. de publieke opinie te constateren.

STAATSRECHT

Hier is de enquête een onderzoek dat uitgaat van de volksvertegenwoordiging (zgn. parlementaire enquête). Als recht van de volksvertegenwoordiging is zij een middel tot effectuering van de ministeriële verantwoordelijkheid. De betekenis van haar wettelijke regeling ligt niet zozeer in de toekenning van het recht een onderzoek in te stellen, als wel in de aan het recht van enquête verbonden verplichting bij dat onderzoek de gevraagde inlichtingen te geven.

In Nederland werd dit recht aan beide Kamers van het parlement toegekend (1848 aan de Tweede, 1887 ook aan de Eerste Kamer), zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering (art. 102 GW). De regeling ervan wordt aan de gewone wetgever opgedragen. Deze regeling is te vinden in de wet van 5.8.1850, Stb. 45, nadien gewijzigd. Art. 3 van genoemde wet van 1850 legt op alle ingezetenen en andere binnen het grondgebied van het rijk verblijf houdende personen de verplichting, aan de oproepingen tot verhoor, door de enquêtecommissie uitgevaardigd, te voldoen en op alle openbare ambtenaren de gehoudenheid in overeenstemming met de bepalingen dier wet, gevolg te geven aan de vorderingen van de commissie van onderzoek, die deze tot uitvoering van haar last nodig oordeelt. De wet geeft de redenen aan waarom men zich van het geven van inlichtingen kan verschonen. De bevoegdheid van een door een Kamer ingestelde enquêtecommissie houdt op door ontbinding van de Kamer.

In Nederland wordt zelden van het recht van enquête gebruik gemaakt. Bekend is de in 1866 vanwege de Tweede Kamer ingestelde enquête naar de werking van de wetgeving op de kinderarbeid. Verder werd er in 1947 een enquêtecommissie ingesteld om een onderzoek te doen naar het regeringsbeleid in de periode 1940—45, welk onderzoek in 1959 werd beëindigd.

In België hebben beide Kamers krachtens art. 40 GW het recht van enquête, nader geregeld bij de wet van 3.5.1880. De Kamers oefenen het recht zelf uit dan wel door middel van een uit haar leden benoemde commissie. Ook in België wordt weinig van dit recht gebruik gemaakt. VOLKENRECHT. De term enquête wordt vaak (maar niet altijd) gebruikt in de betekenis van feitenonderzoek, feitenconstatering, feitenvaststelling (naar het Engelse ‘fact-finding’, in tegenstelling tot rechtsoverwegingen en conclusies), zoals voor het eerst geregeld in de Eerste Conventie van de Eerste Haagse Vredesconferentie (1899). Daarnaast wordt de term ook in ruimere betekenis gebruikt: onderzoek van alle aspecten van geschil, zoals in het kader van de Bryan Traktaten, van conciliatiecommissies (zie conciliatie) van de Volkenbondsraad, en van de Veiligheidsraad van de VN.

Enquête wordt ook gezien als een methode van geschillenbeslechting, zoals in art. 33 van het VN-Handvest. In zijn enge betekenis is feitenconstatering het onderwerp geweest van Ned. initiatieven in de VN, die geleid hebben tot de vorming van een ‘Register of Experts’.

LITT. N.Bar-Yaacov, The handling of intern, disputes by means of inquiry (1974).

< >