Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Gepubliceerd op 04-01-2024

Ahmadyah-beweging.

betekenis & definitie

Onder de modernistische sekten, die sinds het begin van de vorige eeuw in de wereld van den Islam zijn opgetreden, neemt de A.-beweging een zeer belangrijke plaats in, omdat haar aanhangers vrijwel de eenige Mohammedanen zijn, die tot georganiseerde geloofspropaganda zijn overgegaan. De A.-beweging dankt haar naam aan haar geestelijken vader Goelam Ahmad van K a d i a n in den Pendsjaab (Noordelijk Voor-Indië), die in 1889 een nieuwe leer begon te prediken en er weldra aanspraak op maakte in de 14e eeuw van de Hidzjra (Mohammedaansche tijdrekening) de vernieuwer des geloofs te zijn, dien God elke eeuw tot Zijn geloovigen zendt.

Later kwam G. A. er toe, zichzelf tot den door de Mohammedanen tegen het einde der tijden verwachten Messias (zie Mahdi, Ratoe Adil) te proclameeren. Den Hindoe’s trachtte hij zijn leer aannemelijk te maken door zich te identificeeren met Kresjna, den te verwachten laatsten awatara (menschwording) van Wisjnoe, terwijl hij de Christelijke wereld trachtte te winnen door te verkondigen — in strijd met de voorstelling van den Koran evenwel! — dat Christus niet de echte Messias geweest was, daar Hij noch aan het kruis gestorven, noch ten hemel gevaren was, doch integendeel smadelijk uit Palestina gevlucht en ten slotte in Kasjmir (Noordelijk Voor-Indië) gestorven was.Een van de voornaamste verschillen tusschen deze sekte en de vele oudere Mohammedaansche sekten is, dat de A.-beweging uitsluitend een geestelijke strijdmacht wil zijn en zich van alle politieke activiteit, ook tegenover den Britschen machthebber in VoorIndië, verre houdt. Ontstaan in een milieu, waar de inheemsche beschaving groote moeite heeft om zich te handhaven tegenover die van den machtigen, maar op godsdienstig gebied meestal onverschilligen en op zedelijk gebied veelal liberalen Europeaan, heeft de A.-beweging een eigenaardig tweeslachtig karakter gekregen. Aan den eenen kant tracht zij het verwijt van inferioriteit te ontgaan en de beschuldiging te ontzenuwen, dat de Islam een verouderde religie is, die zich verzet tegen den vooruitgang van den menschclijken geest en hem breidelt in zijn streven naar alzijdige ontplooiing, en maakt zij een gretig en niet altijd even goed gebruik van de anti-Christelijke critiek van het 19e-eeuwsche Europeesche rationalisme om haar grooten concurrent afbreuk te doen. Aan den anderen kant echter tracht zij het religieuze leven en vooral ook het moreele leven van haar volgelingen ongerept te handhaven en eischt zij erkenning van de leer van den Koran en strikte naleving van de voorschriften van den Islam, ook wanneer deze in andere,

modernistische Mohammedaansche kringen bestreden worden, zooals dat met de polygamie bijv. het geval is; op deze wijze wil zij een dam vormen tegen rationalisme en decadentie.

G. A. is gestorven in 1908. Zijn opvolgers hebben de eenheid onder zijn volgelingen niet weten te handhaven. De A.-beweging is uiteengevallen in twee sekten, die van Kadian en die van Lahore. De Kadianrichting is het belangrijkst; zij beschikt over scholen en periodieken en ook over een zendingsbureau, dat haar activiteit naar buiten leidt. Overal in de Mohammedaansche werel benevens in verschillende landen van Europa en van Amerika heeft zij kleine gemeenten gesticht; men schat haar aanhangers op ongeveer een half millioen. Het solidariteitsgevoel, dat in de heele wereld van den Islam zeer sterk ontwikkeld is, brengt met zich mee, dat ook vele Moeslims buiten den kring van haar aanhangers tegenover ongeloovigen de partij van de A.-beweging kiezen, nu deze zich naar buiten demonstreert. Zoo wordt de A.-beweging langzamerhand tot een soort propaganda-afdeeling van den Islam en is dus bezig inniger banden met de rest van de Mohammedanen aan te knoopen dan zich vroeger wel eens heeft laten aanzien. De in de A.-beweging ontwikkelde apologie van den Islam is voor een goed deel reeds gemeengoed van alle Moeslims geworden. De Lahore-richting, die, ook in haar leer en in de waardeering van den persoon van A. G., dichter bij den orthodoxen Islam is blijven staan, is van veel minder beteekenis dan de Kadian-sekte.

Ook in Ned-Indië heeft de vernieuwer des geloofs van de 14e eeuw der Hidzjra aanhangers gevonden. In de eerste jaren na het einde van den wereldoorlog schijnen er nogal wat Indonesiërs in Kadian en in Lahore gestudeerd te hebben in de Ahmaditische godsdienstwetenschappen. Voorts is de Kadian-richting omstreeks 1925 op Sumatra gepropageerd geworden, echter naar het schijnt zonder blijvend resultaat. Dit laatste kan niet gezegd worden van de propaganda van de Lahore-sekte, die van 1924 tot 1930 of 1931 in de Vorstenlanden gevoerd is geworden door Mirza Wali Ahmad Bei. Deze wendde zich vooral tot de Westersch-gevormde Mohammedaansche jeugd om haar voor den Islam te behouden. Zijn streven was er vooral op gericht den jongeren, die door het Euröpeesche onderwijs critisch waren komen te staan tegenover den godsdienst hunner voorouders en waren gaan twijfelen aan de houdbaarheid van zijn leer, de overtuiging bij te brengen, dat de zuivere Islam den toets der critiek zeer wel kan doorstaan en dat hetgeen tegen critiek geen stand kan houden, dan ook niet tot de wezenlijke bestanddeelen van den Islam behoort.

Een tijd lang heeft hij op de openbare algemeene middelbare scholen van Soerakarta en Jogjakarta Mohammedaansch godsdienstonderwijs gegeven. Het karakter van deze beweging, die in 1929 georganiseerd is geworden in ,,De Ahmadyah-beweging” (erkend en goedgekeurd bij gouv. besluit van 4 April 1930), is hetzelfde, als dat van de beweging in Voor-Indië, doch de controverse tot den orthodoxen Islam is op Java, waar door de nawerking van het oude heidendom het concrete stelsel van den Islam aanzienlijk vervaagd is en deze godsdienst dientengevolge lang zoo strijdbaar niet is als elders, veel minder dan in Voor-Indië op den voorgrond getreden; wanneer zich de Javaansche Ahmadyah-beweging systematisch tegen het Christendom gekeerd heeft, dient daarbij erkend te worden, dat haar leider, Mirza Wali Ahmad Bei, steeds er naar gestreefd heeft dien strijd op waardige wijze te voeren.

Lit.: Dr. H. Kraemer, in De Opwekker (1923, 440 vlg., 1926, 131 vlg.); J. Th. P. Blumberger, De nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië (1931, 102 vlg., 348 vlg.); M.

L. Ferrar, in Whither Islam (Londen 1932, 214-219).

Berg.

< >