Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

Gepubliceerd op 20-10-2020

OVERSPEL, GEBRUIKEN BIJ

betekenis & definitie

overspel is sinds mensenheugenis voorgekomen; voor Brabant werd een speciaal Echt-reglement met het oog hierop opgesteld. Was het delict door een vrouw gepleegd, dan waren de gevolgen niet te overzien.

Zij werd door haar man openlijk te schande gezet, kaalgeschoren, de straat opgestuurd of op andere wijze beledigd. Ook door de staat werd overspel zwaar bestraft, was het een eerste keer dan werd de vrouw een maand op water en brood gezet, gebeurde het andermaal dan werd de zij voor vijftig jaren uit het land verbannen. Betrof het een man met een ongetrouwde vrouw, dan werd hij als eerloos en mijnedig beschouwd, zijn „officie en staet" werden verbeurd verklaard, hij werd incapabel bevonden om nog enig officieel ambt te bekleden en kreeg een boete opgelegd van honderd gulden. Bij herhaling driehonderd gulden en mogelijk verbanning.De rechter kon voorts beslissen of er een scheiding uitgesproken zou worden, wanneer de „gheoffenseerde partye" dat eiste. Verder was bepaald dat „geen overspeelder of overspeelderse sou mogen trouwen met de persoon daar mede hy ofte sy vleeschelijck mee geconverseert had."

Hield men het bij twee vrouwen, of twee mannen, dan volgden straffen volgens de „Keyserlijcke wetten", als voorbeeld voor allen werden in het openbaar lijfstraffen toegediend.

Hel Echt-reglement van Noord-Brabant van 1656 toont dat het op tal van fronten met de zeden niet zo nauw werd genomen, zoals blijkt uit het volgende schrijven: „dat wij Willem Hendrick, Prince van Orange, oock in ervaringe ghekomen zijn dat onse voorn. steden. Landen en Heerlijckheden in Brabandt, vervult zijn met Boelschappen, Hoererijen, Overspeelen, lichtvaerdige te samen ende deurloopingen door kinderen, in weerwil spijtende tot groole droefhcydt van vrome ende sorghvuldige ouders ende voochden; oock met moetwillige verlotingen, wrevelige Huyshoudingen, Schofferingen ende andere oneerbaerheden.” Het was verboden in concubinaatschap en boelschap te leven op straffe van een boete van honderd gulden en met de verplichting om de ander terstond te trouwen of de ander te verlaten. Verbanning volgde wanneer dit niet nagekomen werd.

Ook de kerk droeg haar steentje bij in haar „Onderwijzingen wegens de Zuyverheyd". Men mocht geen „ontstichtingen geven door eenige naektheden. dertelheden, vuyle kautenantiën, geen oorzaeke geven aan andere van quade gepeyzen; alle oneerlijcke aanraekingen schroomen, als oock alle dertelheden en malheden."

In de negentiende eeuw kwam het tot hele volksgerichten. waarbij vooral in de dorpen de gehele populatie zich met de meest intieme huwelijksmoeilijkheden bemoeide. Wanneer bekend werd dat iemand overspel had gepleegd, dan werden de schuldigen door de dorpsgenoten zwaar afgestraft; er volgde een soort volksrechtspraak: in Brabant heette dat taofelen: de boerenjongens verzamelden zich bij dc betreffende persoon, gewapend met toeters, bellen, ketels en zwepen; het slachtoffer werd naar buiten gelokt, bij hem of haar werd een bit in de mond geduwd en met een gareel voor de ploeg gespannen. Met slagen en schoppen werd de man of vrouw door het gehele dorp gesleept en voor iedereen te schande gezet.

Dit taofelen, ook wel „De Beer jagen" genoemd,was verboden bij het Echl-reglement van 1656, maar de dienstdoende agent ging toevallig meestal juist op die tijd aan de andere kant van het dorp patrouilleren.

Op 22 juli 1786 werd in de Slimstraat in Udenhout een vrouw onder het hels lawaai van ketels en trommen naar buiten getrokken en aan de ploeg vastgebonden. Met een touw om haar lijf werd zij getrokken en geslagen totdat men haar in een sloot duwde. Na vergiffenis gevraagd te hebben aan haar man, nam deze haar terug.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog is nog een geval van voor de karspannen bekend uit Helvoirt; in 1953 nog gevallen in Bakel, Berlicum, Beek en Donk, in 1977 zelfs nog in Zand-Oerle.

Ook kwam het wel voor dat men een ezel op de muur van het huis schilderde met teer of ander materiaal dat zeer slecht te verwijderen was. Soms moest men zelfs hele stenen uit de muur laten hakken.

Bron: Anton van Oirschot, Van Houen en Trouwen.

< >