spoor (indruk, afdruk)
o. (sporen), 1. indruk, afdruk, door iets of iemand, m.n. door dieren, achtergelaten: de inbrekers trachtten hun sporen zoveel mogelijk uit te wissen; m.n. voetspoor, reeks van prenten: het — van een vos; het — bijster zijn, van de goede weg af zijn of niet meer weten hoe te handelen; op het goede — zijn; er is geen — meer v...