Wat is de betekenis van monotoon?

2018
2022-08-14
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

monotoon

monotoon - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: mo-no-toon 1. zonder afwisseling ♢mevrouw Van Wees heeft een monotone stem Bijvoeglijk naamwoord: mo-no-toon ... is monotoner dan ... het mono...

Lees verder
2007
2022-08-14
logopedie

Logopedisch Lexicon

Monotoon

(bn.), syn. eentonig; spreken met weinig of geen toonhoogtevariaties.

1994
2022-08-14
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Monotoon

[v. Gr. monos = alleen; zie -toon] bn & bw (alg.) eentonig.

1993
2022-08-14
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Monotoon

eentonig

1955
2022-08-14
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Monotoon

eentonig, vervelend.

1952
2022-08-14
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Monotoon

adj. & adv., ientoanich; — spreken, sûnder forhef prate.

1950
2022-08-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Monotoon

(<Fr.), bn. bw., 1. eentonig 2. vervelend

Lees verder
1949
2022-08-14
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Monotoon

(wisk.), een functie heet M. niet-toenemend ( of niet-afnemend) als de opeenvolgende waarden die de functie aanneemt steeds kleiner (groter) zijn dan of gelijk zijn aan de voorgaande waarden.

1948
2022-08-14
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

monotoon

eentonig.

1939
2022-08-14
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Monotoon

(< Gr. = enkel; = toon). Lett. eentonig. Vd. Math. monotoon veranderlijk = voortdurend in denzelfden zin veranderend.

Lees verder
1937
2022-08-14
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

monotoon

bn., bw.; eentonig; fig. vervelend: de monotone klank van een gong.

1916
2022-08-14
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Monotoon

Monotoon, - een functie y — f (x) van een reëele veranderlijke x heet monotoon in een zeker interval, wanneer ze in dat interval hetzij nergens toeneemt, hetzij nergens afneemt, dus óf steeds afneemt (c. q. constant blijft), óf steeds toeneemt (c. q. constant blijft).

1898
2022-08-14
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Monotoon

Monotoon bn. bw. eentonig; langwijlig, vervelend.