jaar betekenis & definitie

Het begrip jaar heeft 88 verschillende betekenissen:

1) frase gebruikt als verjaardagswens waarmee men iemand een lang leven toewenst
2) jaren die (ver) in het verleden liggen
3) jaar, beschouwd als een tijd die men met zekere activiteiten of op een specifieke wijze doorbrengt
4) telkens weer opnieuw gedurende een heel jaar; jaren na elkaar zonder onderbreking; onafgebroken
5) een jaar met veel bezigheden
6) een jaar effectieve of voorwaardelijke straf
7) zijn of haar leeftijd in acht genomen
8) op, respectievelijk tot het bereiken of bereikt hebben van het genoemde levensjaar
9) periode waarin de aarde één omwenteling rond de zon maakt en die 365 dagen, 5 uren, 48 minuten, 45 seconden duurt
10) de beginjaren in iemands leven
11) de zeventig (enz.) levensjaren die iemand heeft voltooid
12) jong van leeftijd; jong; oud van leeftijd; oud; bejaard
13) het jaar dat bezig is te verlopen
14) periode van twaalf opeenvolgende maanden die voor onze jaartelling begint op 1 januari en eindigt op 31 december, en die in een gewoon jaar 365 dagen telt en in een schrikkeljaar 366; kalenderjaar
15) het kalenderjaar dat bijna of pas voorbij is
16) ruim een jaar; iets meer dan een jaar
17) jaar in kerkelijke zin; liturgisch jaar
18) in ieder opvolgend jaar; ieder jaar weer; ieder jaar opnieuw; het ene jaar telkens na het andere zonder onderbreking of uitzondering
19) periode tussen omstreeks september of oktober en juni of juli, waarin een onderwijsinstantie onderricht geeft of waarin men onderwijs volgt; jaar als onderdeel van een opleiding of cursus; studiejaar; schooljaar; leerjaar
20) op een wijze of volgens een tijdschema of tempo waarbij telkens een periode centraal staat, die loopt van het ene kalenderjaar tot het volgende; met de nadruk meer op het aspect van de continuïteit: in ieder opvolgend jaar; ieder jaar weer; ieder jaar opnieuw; het ene jaar telkens na het andere zonder onderbreking of uitzondering
21) naarmate de jaren verstrijken; in verloop van tijd; gaandeweg
22) beschouwd of verkozen als de beste van het jaar
23) elk van de perioden van twaalf maanden waarin men de leeftijd van mens of dier berekent vanaf de dag van de geboorte, of de levensduur of ouderdom van een zaak vanaf de vervaardiging of het ontstaan; levensjaar
24) binnen het tijdsbestek van een jaar
25) een volledig jaar
26) het zesde, zevende, achtste, negende decennium in de betreffende eeuw
27) iemand een jaar vol voorspoed wensen bij het begin van het nieuwe jaar
28) pas op zekere leeftijd verkrijgt men inzicht, onderscheidingsvermogen of levenswijsheid
29) in het midden van of halverwege het betreffende jaar
30) periode waarin een hemellichaam zijn baan rond een ander hemellichaam beschrijft
31) een jaar daarvoor; in, tijdens het jaar daarvoor
32) periode met jaren van tegenspoed of economische neergang
33) alle studenten die zich in een bepaald jaar inschrijven of samen (af)studeren; alle studenten van dezelfde jaarklasse
34) periode van 1 december tot en met 31 november die de vier weerkundige seizoenen omvat
35) ieder jaar opnieuw; alle jaren door; zonder enige onderbreking; onophoudelijk; onafgebroken
36) terwijl het jaar verstrijkt, respectievelijk, terwijl de jaren verstrijken; in de loop van het jaar of van de jaren; door de tijd
37) op leeftijd; bejaard; oud
38) sinds heel lange tijd
39) naarmate telkens weer een jaar verstrijkt; na ieder jaar
40) de meest recente jaren; de laatste jaren; de afgelopen jaren
41) geleidelijk of langzaam aan oud worden, respectievelijk, een bejaarde leeftijd bereikt hebben
42) een jaar dat lang duurt voor het gevoel
43) iemands hoge leeftijd; hoge ouderdom
44) periode waarin de aarde haar baan om de zon voltooit en opnieuw dezelfde positie tegenover een referentiepunt inneemt; ronddraaitijd van de aarde om de zon
45) een jaar met belangrijke of doorslaggevende gebeurtenissen of beslissingen
46) volstrekt niet binnen het tijdsbestek van talloze jaren; in al die tijd niet
47) (iemands) gevorderde leeftijd, veelal met bijgedachte aan de daarmee samenhangende toename in vaardigheden en levenswijsheid
48) een jaar waarin plaatsvindt of zich voordoet wat in de van-bepaling wordt genoemd
49) de leeftijd waarop men voor zichzelf leert oordelen of moet kunnen oordelen
50) gedurende een heel lange tijd; zeer lang
51) in de tijdrekening: beginjaar van de christelijke jaartelling met de geboorte van Jezus Christus
52) periode met jaren van voorspoed of economische bloei
53) het ene jaar wel en het daaropvolgende niet; elke twee jaren; eens in de twee jaren
54) een jaar vol tegenspoed of moeilijkheden
55) met het ouder worden; met het toenemen van de leeftijd
56) periode van twaalf maanden, gerekend vanaf een willekeurig tijdstip tot dezelfde dag in het volgende kalenderjaar; ruimer ook: periode van ongeveer twaalf maanden
57) een jaar dat zonder resultaat blijft; vergeefs, nutteloos jaar
58) jaar uit de twaalfjaarlijkse cyclus van de Chinese dierenriem volgens de Chinese kalender, dat in het teken staat van het genoemde dier en geacht wordt onder meer het karakter te bepalen van personen die dan worden geboren
59) jaar berekend op 365 dan wel 366 dagen vanaf 1 januari tot en met 31 december, in tegenstelling tot de tijd waarin de aarde exact haar baan rond de zon beschrijft
60) een groot aantal jaren; talloze jaren
61) de tijd van iemands jeugd; jeugdige leeftijd
62) periode tussen omstreeks september of oktober en juni of juli, waarin een universiteit of hogeschool onderricht geeft of waarin men colleges volgt; jaar als onderdeel van een opleiding aan een universiteit of hogeschool; academiejaar
63) een jaar waarin zich veel ontwikkelingen hebben voorgedaan; jaar met veel gebeurtenissen
64) periode van 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 45,17 seconden tussen de start van een seizoen, bijvoorbeeld de lente, tot de volgende start van dat seizoen
65) in de verbinding [in, uit] het jaar nul: stammend uit een ver verleden; sterk of geheel verouderd
66) een jaar dat geldt of jaren die gelden als zeer succesrijk in enig opzicht
67) de eerstvolgende jaren
68) een jaar dat niet aan de verwachtingen voldeed in enig opzicht
69) iemand van ongeveer de genoemde leeftijd
70) het zesde, zevende, achtste, negende decennium in de betreffende eeuw
71) een jaar dat geschikt is voor enig doel of voorspoedig in enig opzicht
72) gedurende de volledige duur van het of van een jaar
73) periode van 365 dagen, 6 uur, 9 minuten en 9,02 seconden waarin de aarde haar baan om de zon voltooit en de zon, vanaf de aarde gezien, tegenover de sterrenachtergrond weer in dezelfde positie staat
74) ongeveer zoveel jaar als genoemd
75) al heel lang; van oudsher
76) in voorgaande jaren; soms ook algemener: in vroegere tijd; voorheen
77) ruim een jaar; iets meer dan een jaar
78) periode van de vierde zondag voor Kerstmis tot de vijfde zondag voor de daaropvolgende Kerstmis, waarin zich het verloop voltrekt van de kerkelijke feestdagen met hun veelal specifieke Bijbelpassages, gezangen en gebeden
79) hoeveelheid van iets anders dan tijd, die bepaald of berekend wordt naar de tijdsduur van een jaar
80) een jaar waarin iemand arbeid voor inkomen verrichtte en overeenkomstig sociale rechten opbouwde inzake werkloosheid of pensioen e.d.; arbeidsjaar
81) iemand met de genoemde leeftijd
82) slechts een klein aantal jaren; weinig jaren
83) in volgende jaren; soms ook algemener: in latere tijd; nadien
84) sinds ongeveer een jaar
85) per jaar; in ieder jaar; jaarlijks
86) het kalenderjaar dat pas is begonnen of binnenkort zal beginnen
87) bijna een jaar; iets minder dan een jaar
88) slechts een klein aantal jaren; weinig jaren

Gepubliceerd op 30-05-2017