kaai betekenis & definitie

kaai - Zelfstandignaamwoord
1. (scheepvaart) kade, aanlegplaats

kaai - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaaien
Ik kaai
2. gebiedende wijs van kaaien
kaai!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaaien
kaai je?

Verwante begrippen
perron, pier, wal

Gepubliceerd op 04-12-2017