adaptatieniveau theorie betekenis & definitie

Een theorie beschreven in 1947 door de Amerikaanse psycholoog Harry Helson. De theorie stelt dat bij het ervaren van prikkels (stimuli) het contextgewenningsprincipe van belang is. Mensen passen zich aan bij een bepaald niveau van prikkels en ze reageren pas weer op dezelfde prikkels als die daarvan in voldoende mate van afwijken, van wat men bij een bepaald object en hun context gewend is. Het adaptatieniveau is gelijk aan de logaritme van het gemiddelde van de relevante prikkels gewogen naar de effectiviteit in termen van nabijheid, recentheid, saillant detail, enzovoorts. Voorbeeld: een potlood van 50 gram ervaart men als zwaar een leren voetbal van 50 gram beschouwd men niet als een echte leren voetbal.