Maagdwijding betekenis & definitie

Vanaf den oorsprong (reeds in de 2e e. ?) werd plechtige toewijding van maagden aan God (velatio virginum, maagdsluimering) verricht door den bisschop. Zij bestond in een sluimering (later ook kleeding) onder het uitspreken van een (zeker sinds 4e-5e eeuw eucharistisch) wijdingsgebed. Hierbij voegden zich geleidelijk een zegening van kleed en sluier, enkele nieuwe gebeden (o.a.

Allerheiligenlitanie vóór de kleeding), een overreiking van een bruidsring en bruidskrans, waarna een lang slotgebed: een zegen, gevolgd door een banvloek, uitgesproken over hen, die de gewijden aan den dienst van God zouden onttrekken of zich aan haar goederen zouden vergrijpen (10e eeuw). Nog voegden zich daarbij (13e-14e eeuw) een inleidingsritus, een gelofteaflegging, waarbij de gevouwen handen werden gevat tusschen die van den bisschop, een zegengebed over ring en krans. Toen de ritus aldus in het Pontificale Romanum werd opgenomen (1579), was de plechtigheid reeds in onbruik geraakt.

Zij herleefde in de 19e eeuw in Benedictinessenkloosters. Sacramentaliën (II). Voor de inkleeding in andere kloostergenootschappen zie → Inkleeding; voor de gelofteaflegging zie → Professie.Lit.: Eisenhofer, Handb. der kath. Liturgik (Freiburg 1933). Louwerse.