Onder dezen naam vermelden wij:
Giovanni Battista Vico, een Italiaansch wijsgeer, geboren te Napels in 1669. Hij studeerde aanvankelijk in de regten, aanvaardde daarop de betrekking van huisonderwijzer bij de zonen van den markies della Rocca op het kasteel Vatalla, waar hij gedurende een negenjarig verblijf zich oefende in de wijsbegeerte en geschiedenis, verkreeg in 1697 het hoogleeraarsambt in de welsprekendheid aan de universiteit te Napels en zag zich in 1734 door koning Karel tot historiograaf des Rijks benoemd. Hij overleed den 21sten Januarij 1743.
Zijn hoofdwerk is: „Principii di una scienza nuova d’intorno alle commune natura delle nazioni (1725 en later, 2 dln)”, waarin hij de grondslagen legde voor de pilosophie der geschiedenis. Voorts schreef hij: „De rebus gestis Ant. Caraphae libri IV (1716)", — „De antiquissima Italorum sapientia ex linguae latinae originibus eruenda (1710 en later)”, — en „De universi juris uno principio et fine uno (1720). Zijne gezamenlijke werken zijn uitgegeven door Ferrari (1834—1835, 6 dln)”.
Francesco de Vico, een verdienstelijk sterrekundige, geboren den 19den Mei 1803 te Macerata in de mark Ancona. Hij trad in de Orde der Jezuïeten, was van 1833 tot 1839 onder pater Dumouchel assistent aan de sterrewacht van het Collegium Romanum te Rome, en later directeur aldaar tot aan het verdrijven der Jezuïeten in 1848.
Hij stond op het punt, naar de Vereenigde Staten te trekken, om er het bestuur van het observatorium te Georgetown te aanvaarden, toen hij den 15den November 1848 te Londen overleed. Vico heeft vooral een beroemden naam verworven door de ontdekking van onderscheidene cometen, van welke één met een omloop van 5½ jaar naar hem de Komeet van Vico is genoemd.