overeenkomst in klinker en slotmedeklinker van de eindwoorden van al of niet onmiddelilijk op elkander volgende versregels. Bij de Grieken en Romeinen, waar de voetmaat de grondslag der verzen was, werd het gebruik van gelijkklinkende uitgangen eer vermeden dan gezocht, maar toen de klassieke versbouw in verval raakte, was het R. een welkom middel om de verzen af te ronden.
Zoo treft men in de lat, poëzie der 4de eeuw n. Chr. het R. aan, en die der middeleeuwen werd zou zeer door het R. beheerseht, dat carmen rhythmicum als gelijkluidend met rijmend gedicht en rhythmus voor R. gebezigd werd. De algemeenheid van het R. zoowel bij de Westerscbe als bij de Oostersche volken wederlegt het gevoelen van sommigen, dat de Europ. volken het R. aan de Arabieren zouden ontleend hebben, en maakt het waarschijnlijk dat het bij de verschillende volken oorspronkelijk en zelfstandig ontstaan is. In sommige talen is men op het rijm zeer nauwkeurig; b.v. in het nederl. trachten de rijmers het rijm van ij op ei te vermijden. Het rijm kan veel bijdragen tot de welluidendheid van een dichtstuk; doch voor het overige heeft het geen bijzondere artistieke beteekenis; het levert integendeel veel gevaar op voor gekunsteldheid. Men onderscheidt mannelijk of staand rijm (eenlettergrepig rijm: rond en grond) en vrouwelijk of slepend rijm (tweelettergrepig rijm: horden en worden), verder drielettergrepige en assonante of onvolkomen rijmen.