Cévennes (Les) - eigenlijk een door de bewoners van het naburige laagland gegeven soortnaam („la cévenne”) aan eiken bergwand van het naburige hoogland. De Romeinen noemden ze Cevenna mons (eig. Cebenna, rug); zij lagen tusschen het land van de Helvii en dat van de Arverni.
In de geografische litteratuur gebruikt als benaming voor den gesloten, imposanten Oostelijken en Zuidelijken plateauwand van het Fransche Centraal-Massief, die soms gegeven wordt aan den geheelen rand van Carcassone in het Z. tot Chalons s. S. in het N.; soms ook alleen aan het middelste gedeelte van Hérault tot Valence. Deze bergwand, een oude breukrand, daalt aan de buitenzijde 1000 a 1500 M. naar de vlakten van Provence en Bourgondië, terwijl aan de binnenzijde eentonige, meestal kale hoogvlakten liggen. De C. bestaan in hoofdzaak uit oude (archaeïsche) gesteenten en graniet; ze vormen de waterscheiding tusschen de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan.