Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 31-01-2022

Systeemtheorie

betekenis & definitie

v. (-ën), theorie die georganiseerde entiteiten (organismes, sociale groepen, persoonlijkheden, technologische concepties, modellen) analyseert in termen van systeem en organisatie.

De ontwikkeling van de systeemtheorie hangt nauw samen met die van de cybernetica en de informatietheorie. De systeemtheoretische benadering werd voor het eerst gehanteerd door Ludwig von Bertalanffy (*1901, ♱1972) op het terrein van de biologie. Sinds het einde van de jaren zestig vindt de systeemtheorie ook ingang bij de sociale wetenschappen. Economische en sociale organisaties, het openbaar bestuur en de maatschappij als geheel worden nu in systeemtheoretische termen geanalyseerd.

Onder systeem wordt in de systeemtheorie verstaan een verzameling van elementen waartussen een specifiek patroon van relaties bestaat. Nagenoeg altijd is sprake van open systemen; deze staan in relatie met een omgeving. De betrekkingen tussen systeem en omgeving worden uitgedrukt in termen van aan-en afvoer (inen output). Om de interactie tussen systeem en omgeving nader te analyseren kan men de begrippen constraint en variety hanteren. Constraints zijn de betrekkelijk vaststaande relaties tussen systeem en omgeving, d.w.z. de structuren en regels volgens welke het systeem functioneert. Deze constraints mogen niet te rigide zijn. In de relaties tussen systeem en omgeving moeten naar structuur en gedrag van het systeem voldoende variatiemogelijkheden (variety) bestaan, om het systeem in staat te stellen voortdurend adequaat te reageren op de steeds wisselende invloeden van de omgeving.

De wisselwerking tussen systeem en omgeving wordt gezien als een leerproces, beheerst door het streven van het systeem naar zelfhandhaving: het systeem past zich aan aan zijn omgeving en tracht omgekeerd de omgeving aan zich aan te passen. De aard en het niveau van de relaties die een systeem met zijn omgeving onderhoudt, geven een indicatie voor de interne complexiteit, het niveau van de interne organisatie en differentiatie van het betrokken systeem.

LITT. W.Buckley, Sociology and modern Systems theory (1967); L.van Bertalanffy, General Systems theory (1968); C.A.van Peursen, C.P.Bertels en D. Nauta, Informatie (1968); N.Luhmann, Soziologische Aufklärung (1970); J.Habermas en N. Luhmann, Theorie der Gesellschaft oder Sozialtechnologie (1971); E.Laszlo, Introduction to Systems philosophy (1972); D.Keuning, Algemene systeemtheorie, systeembenadering en organisatietheorie (1973); F.Maciejewski (red.), Theorie der Gesellschaft oder Sozialtechnologie (2 dln. 1973-74).

< >