o. (-raden), om de hals gedragen sieraad.
(e) In het steentijdperk werden halssieraden gemaakt van schelpen, dieretanden of been (nog steeds bij natuurvolken), in het Neolithicum ook van barnsteenparels of bewerkte stenen plaatjes. In de bronstijd werden reeds halsringen en kettingen gemaakt van metaal, soms ook van glas en git. In de oudheid droeg men in Egypte en Griekenland gouden halsbanden met reliëfversiering en colliers met hangers (munten, stenen). De Romeinse vrouwen droegen colliers, soms met medaillons, en halsbanden in goud, zilver, brons met diverse steensoorten. Tijdens de middeleeuwen was het halssieraad weinig belangrijk. De colliers aan het einde van de gotiek waren architectonisch van aard en ijl van vorm, met een eenvoudige decoratie.
In de 16e eeuw kwamen ereketens in zwang. De hoog gesloten kleding liet geen halssieraad toe. De brede keten, die over de kleding gedragen werd, bleef behouden in de ambtskleding. Tijdens de barok bestonden de colliers veel uit parels en geslepen stenen, gezet in zilver of goud. In de 18e eeuw had de dameskleding meestal een groot décolleté. Daarbij werden de halssieraden, colliers of collerettes (ruches van kant met een hanger) hoog aan de hals gedragen.
In de 19e eeuw werden voornamelijk zware colliers gedragen in allerlei vormen en bestaande uit velerlei materialen, zoals goud, zilver, brons, mensenhaar, kralen. Vooral na de Eerste Wereldoorlog ging men ook veel kunststof en allerlei metalen toepassen. →-sieraad. LITT. E.Steingraber, Alter Schmuck (1956).