boel1 - m. (-en),
1. boedel, inboedel: zijn — wordt verkocht; hun boeltje wordt op straat gezet; zijn boeltje pakken, zich (met zijn spullen) uit de voeten maken; het is er een kale -, het huisraad ziet er armoedig uit; bij uitbr.: zij hebben het arm, moeten zich bekrimpen;
2. collectieve benaming voor een min of meer ordeloze menigte al of niet bijeenbehorende zaken, soms met de ongunstige betekenis van rommel, soms eenvoudig als gemeenzame aanduiding voor: de zaken, de dingen: de — aan kant maken, de kamer opruimen, alles ordelijk op zijn plaats zetten; de — door de glazen gooien, bij een ruzie of uit brooddronkenheid, (fig.) drukte, ruzie maken; (bij) iemand de — opscheppen, stukslaan, (ook) alles in wanorde, in rep en roer brengen; in de zin van rommel: wat een — met zo’n schoonmaak: alles ligt overhoop; een maken, alles overhoop halen; een slordige, smerige —; een vuile — (in het bijzonder) opgestopte ontlasting; geheel van verwarde of onaangename zaken, voorvallen, toestanden of omstandigheden: laat de hele — maar waaien, laat alles maar gaan zoals het wil; het is een lamme, vervelende, gekke —; het is een kale, een dooie —; de — loopt in het honderd, gaat op stelten, loopt in de war, komt in rep en roer; hij laat de — de —, hij doet er niets aan, verandert de zaken niet; algemene aanduiding van zaken die men reeds vroeger genoemd heeft of als bekend onderstelt: iemand de — van het lijf scheuren, de kleren; zijn — bijeenpakken;
3. grote menigte: een — mensen.