Boccherini - Luigi, Italiaansch componist, 1743 te Lucca, ♱ 1805 te Madrid; zoon van een contrabassist, leerling van den aartsbisschoppelijken kapelmeester Abbate Vannucci te Lucca; later voor verdere studies te Rome. Teruggekeerd te Lucca als uitstekend cellist, ondernam B. met den violist Filippino Manfredi in 1768 een concertreis naar Parijs; hier publiceerde B. zijn eerste kamermuziekwerken.
In 1769 trokken beiden naar Madrid, waar B. zich in de eerste plaats vestigde als kamervirtuoos van den infant Luis cn na diens dood (1786) als hofkapelmeester van den koning. In 1787 verkreeg hij van Frederik Willem II van Pruisen den titel van hof componist voor een werk, dat hij hem had opgedragen; later schreef hij nog meer voor dezen vorst. Zijn kapelmeestersplaats te Madrid schijnt B. verloren te hebben, want zijn laatste jaren leefde hij in de grootste armoede. B. is voor de kamermuziek een der eerste vertegenwoordigers van den dramatischen stijl. In zijn werken bespeurt men den invloed van den opera-buffastijl; zij zijn het zuiverste voorbeeld van specifieke Rococomuziek.
Werken: Een groot aantal, o.a.: 91 strijkkwartetten, 125 strijkkwintetten, 54 strijktrio’s, 12 klavierkwintetten, 18 kwintetten voor strijkkwartet met fluit of hobo, 16 sextetten, 2 octetten, vioolsonates, duetten, 20 symphonieën, een orkestserenade en 4 celloconcerten. Kerkelijke werken als: missen, Stabat Mater, Kerstcantates, villaneicos, 2 oratoria. Opnieuw gedrukt werden : eenige menuetten, 6 cellosonates [bewerkt door Grutzmacher, (Sefnf) en Piatti (Ricordi)]; een kwintet (Payne); 4 celloconcerten (Leduc 1898); 6 kwartetten op. 6 (Ricordi 1922).
Lit.: Monographie van D. A. Ceru (1864); Biographische-bibliographische schets van Schletterer (1882); G. Malfatti, L. B. (1905); R. Sondheimer, B. e la sinfonia in do maggiore in Rivista musica Ital. (1920); Monographie van L. Picquot, opnieuw bewerkt door G. de St. Toix (1930). Piscaer.