Angst - is een verward-zijn onder invloed van den subjectieven indruk, dat er een bedreiging van de persoonlijkheid bestaat door een nabijzijnd, onbepaald en vreemd-aandoend iets, dat onbekend of althans onbewust is. In tegenstelling met vrees ontbreekt meestal een bepaald object, waarvoor men a. koestert. In verband met een bepaald object spreekt men van a., als iedere redelijke basis voor het affect ontbreekt, alsook indien alle verhouding tusschen affect en gevaarlijkheid van het angst-aanjagende zoek is. Bij den gezonden mensch vertoont a. zich alleen bij werkelijk dreigend onheil, d.w.z. wanneer ernstige levensbelangen en bestaan bedreigd zijn.
A. uit zich zoowel lichamelijk (o.m. snelle pols, onregelmatige ademhaling, bleeke gelaatskleur) als psychisch (o.m. onrustige stemming; gevoel van onvrijheid en geremd zijn in denken, doen en laten; verlies van de beheersching over eigen gevoelens; beperking of wegvallen van eigen wil; verloren gaan van de eenheid van het psychische leven, waarvan bepaalde onderdeelen — zelfstandig wordend — niet langer aan den wil gehoorzamen; gevoel van hulpeloosheid). Komt het a.-verwekkende dichterbij, dan wordt de a. grooter en vertoonen de verschijnselen zich in sterkere mate als verlamming en verstarring. A. kan voeren tot twijfel aan zichzelf, prikkelbaarheid, ontmoediging, remmingen, aantasting van arbeids- en levensvreugde, wantrouwen, neerslachtigheid, leugenachtigheid, het aannemen van schijnhoudingen tegenover het leven en het zoeken van lustgevoelens (sexueele e.a.).
Als oorzaken van a. kunnen o.m. optreden: opvoeding en omgeving (bang-maken met Pieterman, hel; angst van anderen voor onweer; onrustig en nerveus milieu, bijv. bij ongelukkig huwelijk; te strenge en te weekelijke opvoeding, die beide het kind onzelfstandig en met gebrek aan durf om het leven met zijn moeilijkheden te aanvaarden, de wereld insturen); leeftijd (veel is nog onbekend; gebrek aan werkelijkheidszin, sterk fantasieleven, groote suggestibiliteit); bepaalde — vaak onbewuste — wenschen (willen heerschen, bewonderd willen worden); schuldgevoel of -besef; verdringing; lichamelijke onvolwaardigheid, sommige kwalen en storingen van hart, hersenen en schildklier.
A. kan zich vermomd vertoonen in overdreven zelfbewust, brutaal en agressief optreden, in onnatuurlijke vroolijkheid, driftbuien, eigenzinnigheid, omgekeerd als middel dienen om anderen aan zich te binden en naar zijn hand te zetten.
Door straf, strengheid, spot, ironie, belachelijkmaken neemt a. toe. Verstandelijk inzicht in het ongemotiveerde van den a. is niet voldoende om het a.-gevoel meester te worden. Het gevaarlooze moet door nader contact gedemonstreerd worden; hot onder bepaalde omstandigheden gevaarlijke (bijv. kachel) evenzoo, waardoor a. plaats maakt voor gerechtvaardigde vrees.
Daarnaast zijn gewenning en liefdevolle bemoediging, opvoeding tot verantwoordelijkheid en zelf-doen, van groote geteekenis. Aangekweekt worde werkelijkheidszin, levensmoed, gevoel van eigenwaarde, offerzin, een juist inzicht in de wereld der waarden en in de rangorde van deze, zelfkennis en de erkenning van eigen menschelijke zwakheid, Godsvertrouwen, overgave aan Zijn H. Wil en een levensgedrag, dat niet tot conflicten met het eigen geweten voert. Ligt de oorzaak bij het milieu, dan zal, indien dit zich niet kan veranderen, overplaatsing in een andere omgeving moeten overwogen worden. Bij lichamelijke oorzaak is medische behandeling noodig.
Lit.: A. Binet, La peur chez les enfants. Année psychol. (II 1895) ; P. Haberlin, Kinderfehler (Bazel 1921); G. Morton, Childhood’s fears (Londen 1925); M. Heidegger, Sein u. Zcit (Halle 1927); W. Stern, Psychologie der frühen Kindheit (Leipzig 1927) ; O. Liebeck, Das Unbekannte u. die Angst (Leipzig 1928) ; R. Allers, Das Werden der sittlichen Person (I, Freiburg 1929) ; A. Kuypers, Het onbewuste in de nieuwere paedagogische psychologie (Amsterdam 1931) ; W. Bergmann e.a. in Religion u. Seelenleiden : Die Angst der Psychopathen (Augsburg 1932) ; Lit. der Individualpsychologie (Adler, Künkel e.a.). Berger.