Encyclopedie van Zeeland

Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1982)

Gepubliceerd op 24-11-2020

KELDERMANS

betekenis & definitie

(Van Mansdale) Geslacht van Vlaamse bouwmeesters, beeld- en steenhouwers en steenhandelaren, die van 1375 tot 1550 hoofdzakelijk werkzaam waren in Brabant en Zeeland. De meesten woonden te Mechelen.

Hier maakten zij in hun werkplaatsen natuurstenen onderdelen, bogen, traceringen, gewelfribben en kapitelen die per schip naar de bouwplaats werden vervoerd. In hun ateliers is op het gebied van de kleinarchitectuur belangrijk werk geschapen zoals doksalen, retabels en schouwen. In Zeeland zijn de volgende leden van de familie Keldermans werkzaam geweest:Andries I

(ca. 1400-1481). Stadsbouwmeester van Mechelen waar hij o.a. de bouw van de St.-Romboutstoren leidde. In 1454 maakte hij een ontwerp voor de St.-Lievens Monstertoren te Zierikzee. Onder zijn leiding werden alleen de fundamenten gelegd. Door allerlei rampspoeden, o.a. een grote brand te Zierikzee, werd de bouw stilgelegd. In 1451 besloot de stadsregering van Middelburg tot de bouw van een nieuw stadhuis.

Dit geschiedde van 1452 tot 1459. Er verrees een voorgevel aan de Noordstraat, de choortoren, alsmede de gevel aan de Markt in de huidige afmetingen - maar veel eenvoudiger - en een vleeshal. In 1455 waren drie leden van de familie Keldermans, Andries I, Matthijs I en Jan III bij de bouw betrokken als steen- en beeldhouwers. Andries is ook als zodanig werkzaam geweest aan het raadhuis van Veere (1470).

Antoon I

(Mechelen ca. 1440-15 okt. 1512). In 1476 werd hij stadsopperwerkman te Bergen op Zoom waar hij hoogstwaarschijnlijk het Markiezenhof (1495) ontwierp.

In 1478 sloot hij samen met zijn vader een contract af voor de levering van een tabernakel voor de kerk van Axel.

De bouw van de Grote of O.L. Vrouwekerk te Veere kwam in 1479 onder zijn leiding te staan.

In 1481 volgde hij zijn vader op als stadsbouwmeester van Mechelen en nam verschillende werkzaamheden van hem over. Hij liet na 1480 de St.-Lievens Monstertoren te Zierikzee optrekken tot een hoogte van 50 m. Te Middelburg werd hij in 1481 betrokken bij verbouwingsplannen van het stadhuis. Deze plannen werden pas in 1492, na de stadsbrand in het stadhuis, uitgevoerd. Onder zijn leiding werden vensters en deuren gemaakt voor de grote nieuwe bovenzaal. Tevens leverde hij in 1493 arduin voor een nieuwe pui in het stadhuis.

In 1489 werd hij benoemd tot hofbouwmeester. Hij werkte o.a. aan het kasteel van Wouw, de St.-Bavokerk te Haarlem en maakte plannen voor het paleis van Margaretha van Oostenrijk te Mechelen.

Begin 16e eeuw is men te Middelburg begonnen met een aanmerkelijke verfraaiing van het stadhuis, nl. het optrekken van de toren, het aanbrengen van de top aan de gevel in de Noordstraat, de wijziging van de gevel aan de Marktzijde en het uitbreiden van de vleeshal. Het gotische deel van het stadhuis heeft toen, behoudens een verandering van de ingang, zijn huidige vorm gekregen. Antoon maakte de ontwerpen voor de toren en de gevels aan de Noordstraat en Markt. Voorts leverde hij steenhouwerswerk en materialen. De gevel aan de Marktzijde is het belangrijkste werk van Antoon en een der voornaamste werken van profane Brabantse gotiek.

Matthijs II

(ca. 1440-1520). Zoon van Andries I; was sedert 1478 in dienst van de stad Mechelen. Van 1482 tot 1517 werkte hij samen met Herman de Waghemakere aan het koor en de westgevel van de St.-Willibrordkerk te Hulst. Hij ontwierp ook het nooit voltooide portaal van de hoofdingang van deze basiliek. In 1495 maakte hij minstens drie beelden, waarvan één Onze Lieve Vrouw voorstelde, voor het stadhuis van Middelburg.

Antoon II

(ca. 1460-Mechelen 5 dec. 1515). Zoon van Antoon I. Werkte samen met zijn vader aan de toren van het stadhuis te Middelburg waarvoor hij 12 ‘spuwers’ vervaardigde. In 1512 volgde hij zijn vader op als stadsbouwmeester te Mechelen en werd eveneens hofbouwmeester. Zette het werk van zijn vader aan het stadhuis te Middelburg, samen met zijn broer Rombout, voort. Ontwierp in 1514 het Broodhuis te Brussel.

Rombout II

(Mechelen ca. 1460-Antwerpen 15 dec. 1531). Zoon van Antoon I. De bekendste telg van het geslacht Keldermans. In 1512 kreeg hij, na het overlijden van zijn vader, de leiding bij de bouw van de kerk te Veere en de toren van de St.-Lievens Monster te Zierikzee. Hij maakte ca. 1530 voor deze toren een nieuw ontwerp, dat door een gravure bekend is gebleven. Tot een uitvoering van het plan is het niet gekomen.

In 1515 werd hij stadsbouwmeester van Mechelen en in 1516 opperbouwmeester van keizer Karel V. Rombout was in 1511 betrokken bij de bouw van de toren van het stadhuis te

Middelburg. Van 1513 tot 1518 is hij als steenhouwer werkzaam geweest aan de bouw van de door hem ontworpen Vleeshal te Middelburg. Zijn meesterwerk, het paleis van de Grote Raad te Mechelen begonnen in 1529 en het Gentse stadhuis behoren tot de belangrijkste gebouwen van de Brabantse laat-gotiek. Als vestingbouwer ontwierp hij het kasteel Vredenburg te Utrecht en de versterkingen van Valkenburg en Montfoort.

Laurens II

(gest. 1534). Zoon van Antoon II. Werkte veel met en voor Rombout II o.a. aan het paleis te Brussel en het stadhuis te Middelburg. In 1515 en 1533 heeft Laurens samen met Dominicus de Waghemakere gewerkt aan de St.-Willibrordkerk te Hulst. Van 1528-1534 bouwde hij samen met W. van Sassen het stadhuis te Hulst.

LITERATUUR

Historische Monumenten van Schouwen-Duiveland, Bulletin van de Kon. Ned. Oudheidkundige Bond, 70, 1971. D. Rogge en J. Withof, Grondleggers en grootmeesters der Brabantsche Gothiek. R. de Roo, De Keldermansen naar de documenten uit het Mechelse Stadsarchief W.S.

Unger, De Monumenten van Middelburg. P. Don, Het Middelburgse stadhuis en de Kèldermansen.

< >