Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Gepubliceerd op 05-09-2022

Blau

betekenis & definitie

blauw; azuur (wapenkunde); dom; dronken; gekookt (forellen); einen braun und blau schlagen, iemand bont en blauw slaan; es wird mir grün und blau vor den Augen, het wordt mij groen en geel voor de ogen; einem einen blauen Dunst vormachen, iem. iets wijsmaken; ein blauer Lappen, een briefje van 100 Mark; blauen Montag machen, blau machen, Maandag houden, spijbelen; blauer Peter, vertrekvlag; so blau!, och kom! zo iets!; Sie werden Ihr blaues Wunder sehen, U zult staan te kijken; das Blau, het blauw; eine Fahrt ins Blaue, een tocht op avontuur.

< >