Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Gepubliceerd op 05-09-2022

Ausmachen

betekenis & definitie

uitmaken; afspreken; rooien; opsporen, constateren; wieviel macht das aus?, hoeveel bedraagt dat?; Bohnen ausmachen, bonen doppen; feindliche Schiffe ausmachen, vijandelijke schepen verkennen, constateren; das hatte ich mir gleich ausgemacht, dat had ik dadelijk als voorwaarde gesteld; ein ausgemachter Narr, Betrüger, een echte gek, bedrieger.

< >