Wat is de betekenis van VIM?

2026-10-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vim

v. (-men), 1....

2026-10-11
Afkortingen woordenboek

redactie Ensie (2000)

VIM

Vlaardingsche Invoermaatschappij.

2026-10-11
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Vim

hoeveelheid van 104 stuks (takken, bossen stro)

2026-10-11
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

vim

(de), schuurpoeder voor huishoudelijk gebruik. Ija [ja], ma’...

2026-10-11
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Vim

Hoeveelheidsmaat voor takkenbossen; 1 vim - 100 (104) bos.

2026-10-11
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vim

s., fym, fime, fiem.

2026-10-11
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

vim

kracht, energie, vuur, fit.

2026-10-11
Kramers woordentolk

Jacon Kramers Jz (1948)

vim

o. 1 reinigingsmiddel; 2 104 bos (hout).

2026-10-11
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vim

v. vimmen (honderdtal): een vim takkenbossen, riet, bossen...

2026-10-11
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

vim

v. (-men; -metje) 1....

2026-10-11
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Vim

Vim - = 104 garven of graanschooven. Ook bij den verkoop van...

2026-10-11
De vreemde woorden

Fokko Bos (1914)

vim

vim - stapel brandhout van 104 bos.

2026-10-11
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

VIM

VIM - v. (-men), regelmatig getaste stapel hout of hooi;...

2026-10-11
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Vim

zie Garf.

2026-10-11
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Vim

Vim, v. (-men), honderdtal (van zek....