Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

zaligheid

betekenis & definitie

In de uitdr. iem. zijn zaligheid lezen, geven, zeggen e.d., iem. flink de waarheid zeggen, de les lezen, een uitbrander geven enz.

’t Klinkt pijnlijk hard. De pastoor kan gaan ... Goed. Hij zal gaan, maar niet zonder hem nog flink zijn zaligheid te lezen, WACHTERS 1946, 151.

Eigenlijk windt zij zich op, omdat zij toevallig die 22 graden verplicht is goed te vinden. Maar zij zal nog wel een flinke gelegenheid hebben, denkt zij grijnzend, om het janfoeterse rapalje zijn zaligheid te zeggen, TEIRLINCK 1952, 2, 197.