Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

oog

betekenis & definitie

1. In versch. uitdr., zegsw. enz. die in de standaardt. niet (meer) voorkomen: dat kost me de ogen uit de kop e.d., een boel geld, handen vol geld (gall., naar fr. cela coûte les yeux de la tête);

- iets onder ogen nemen, iets onder ogen zien;

- een scheel oog op iem. trekken, met nijd, afgunst aanzien, iem. met schele ogen aanzien;
- een oogje trekken e.d., knipogen;
- ogen trekken, ook: zijn ogen opentrekken, grote ogen opzetten;
- Onze-Lieve-Heer zijn ogen uitsteken, zonder reden klagen;
- met geen ogen te zien zijn, helemaal niet.

Als ik dat zeg, moet ik een oogje trekken op moeder om haar gerust te stellen, want tante Dieneke is van «vieze hoofdpijn» gestorven, VERMEYEN 1947, 5.

Ik trok echter een oogje naar hem en zei op alledaagse toon: Die ongelukkige maandagen he. Dan heb ik me naarstig aan het werk gezet om zo weinig mogelijk te moeten nadenken, PAUWELS 1971, 21.

Het Beneluxgezelschap dat van Belgische zijde met een scheef oog bekeken werd omdat de ontmoeting twee, de terugkeer één dag valt voor de start van de Belgische «open» kampioenschappen, Gazet v. Antw. 5/7/1977.

2. Uitzicht, voorkomen: dat huis heeft geen oog; het is gevaarlijk om te veel op het oog af te gaan.

Sam.: oogmeester (Wdl.), oogarts, ook: opticien;

- oogpink, (gewest.) oogopslag, ogenblik (In een oogpink ... zijn al de muizen verdwenen, STREUVELS 1962, 162);
- oogpunt, in de verb. onder alle oogpunten e.d., in alle opzichten (Hij zal voortaan de rustige middagen op het Jachthuis moeten ontberen, en dat stoort hem, onder verscheiden oogpunten, TEIRLINCK 1952, 1, 95.

Het ware Wimbledonsprookje is onder alle oogpunten een kwade droom geworden voor de Rotterdamse, Gazet v. Antw. 5/7/1977); oogschel, (gewest.) ooglid (Onwillekeurig ... sloot Pallieter zijn ogen, zag nog door de toeë oogschellen de klaarte van de maan die vóór hem stond, TIMMERMANS 1966, 119);

- slag, (thans w.g.) (snelle) blik, oogopslag (Aan de gelagzaal waagde Van Gansen een kijkje door het venster. Een enkele oogslag overtuigde hem, dat Karei er niet was, LANGENS 1947, 141.

Zij meent verplicht te zijn een oogslag naar binnen te wagen. Er is niemand, TEIRLINCK 1952, 2, 257).