Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

leeftijd

betekenis & definitie

In de verb. derde leeftijd, in toep. op personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (gall., naar fr. troisième âge); mensen van de derde leeftijd, gepensioneerden, bejaarden, 65-plussers.

In ons eigen welvaartland leven 600.000 gehandicapten, 1.300.000 mensen van de derde leeftijd, Vrouw en Wereld dec. 1975, p. 19.

Goeiedag zeggen aan de mensen van de derde leeftijd die in hun kaarthuisje een aangepast en ontspannend tijdverdrijf vinden, Vrouw en Wereld juni 1976, p. 13.

Dinsdag 31 mei en woensdag 1 juni vormen de twee kermisdagen voor de derde leeftijd van Gentbrugge, Gentenaar 30/5/1977.

Verplegend echtpaar verzorgt mensen van de derde leeftijd, klein modern landelijk gelegen tehuis, Teletip 24/1/1978, p. 7.

Volgens u geniet dus de derde leeftijd het bestaan van een rentenier, Uitzending BRT 13/3/1980.

Sam.: derde-leeftijdskamer, bejaardenwoning (Gent 11/8/1976, p. 7); derde-leeftijdsontspanning (Advert. (ed. Rupel) 14/8/1976).