Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

hart

betekenis & definitie

In een aantal verb.: zijn hart opeten, opvreten e.d., veel verdriet hebben, hartzeer hebben; vaak ook: zich dood kniezen, door nijd verteerd worden; - (gewest.) het hart voeren, de vermetelheid hebben; - tegen zijn hart (iets doen e.d.), met tegenzin; tegen zijn hart spreken, iets zeggen enz., tegen zijn overtuiging in; - van zijn hart een steen maken, zijn gevoelens, zijn medelijden enz. onderdrukken, overwinnen.

Vlak voor Kobeke zit Zanneke Laere, en die heeft hem daar straks een handvol droog zand in zijn nek laten rijzelen.... Kobeke zit daar nu zijn hart op te vreten om het Zanneke terug te geven, CLAES 1933, 94.

Hij (stopte) haar den mond met een roestigen snauw: dat hij er niet meer van horen wilde! ze ’t hart niet voeren mocht Landers naam nog uit te spreken, STREUVELS 1964, 102.

- Iets niet aan zijn hart laten komen, er zich niet druk om maken, er niet onder lijden, er geen hartzeer van hebben.

Dat De C. het ondertussen niet aan zijn hart laat komen blijkt uit het charmante gezelschap dat hem hier nog gauw een klapzoen wil geven voor hij weer naar de cel wordt gebracht, Gentenaar 22/5/1977.

Als ze toevallig dit stukje leest, dan kan ik alleen maar tot afscheid zeggen: ‘Rachelleke, mijn Belleke, laat het u niet aan het hart komen, leef nog lang en gelukkig, en denk soms eens aan uw Boontje’, BOON 1977, 128.

- Hij is (er) het hart (van) in, hij is diep geschokt, dood van verdriet, ook: zeer ontmoedigd, teleurgesteld enz.

Toen Ghéon onverwachts stierf, was vader er helemaal het hart van in, LIA TIMMERMANS 1962, 133.

Van historische films zijn wij altijd het hart in. Wij kennen geen deprimerender dingen dan historische films, GHYSEN 1962, 8.

De Jorre had hem naar het hospitaal gebracht voor een prostate. Acht dagen later stierf hij.... De Jorre was er het hart van in, DE RIDDER 1966, 184.

Afl./Sam.: hartelijk, van spijzen: smakelijk, lekker, ook: hartig; als bijw.: flink, stevig, met smaak: hartelijk eten; - hartcrisis, hartaanval, inz. hartinfarct (gall., naar fr. crise cardiaque) (Een hartcrisis en ernstige bloedarmoede vellen haar dan beslist neer, WEYTS 1950, 239); hartsgrondig, oprecht, hartgrondig, ook als versterkend bijw. (Waarom worden deze kinderen hartsgrondig geschuwd? Vrouw en Wereld nov. 1974, p. 38.

Dat dit hem moet helpen van zijn Cannon-imago af te raken, want dat hij na vijf jaar Cannon hartsgrondig beu was, Gazet v. Antw. 19/5/1977); hartstochtig, hartstochtelijk: hij was hartstochtig verliefd; hartvang (Wdl.), (w.g.) hartkramp (Hij leed aan hartvang en overspanning, BONI 1948, 247.

Hoe vaak hoort men niet zeggen dat iemand ‘een angine de poitrine’ heeft? Waarom niet gewoon het woord borstangina gebruiken, of hartvang, of hartkramp? GALLE 1967, 72).